Hoofdstuk 27


Vers 1

Ik zal op een dag omkomen.

Hier is het geloof klein.

David zal koning worden , God houdt immers Zijn belofte. Dus van omkomen kan geen sprake zijn.

David vroeg ook niet naar de wil vd HEERE en hij verliet Gods land.



Vers 2

Achis.

Dit is dezelfde Achis als in 1 Samuel 21:11.



Vers 6

David krijgt Ziklag.

Ziklag ligt tussen Berseba en Zif.

Ziklag ligt redelijk ver van Gath. Dat is de dichtstbijzijnde Filistijnse stad.

Ziklag was vroeger van Simeon, maar was door de Filistijnen veroverd.

David krijgt de stad, om hem zo in Filistijnse macht te houden.

Er kwamen veel mensen tot David, ook mensen uit de stam Benjamin, de stam van Saul.



Vers 9

Hij ging naar Achis.

De buit was voor Achis

Zo won David vertrouwen en tegelijk deed hij afbreuk aan de vijanden van Israël.



Vers 10

Jerahmeëlieten.

Dat was een familie in Juda.

Kenieten.

Nakomelingen van Jethro, bondgenoten van Juda.

Jaël, die Sisera doodde, hoorde bij de Kenieten.



Vers 11

Niemand bleef in leven.

Vreselijk wat er in die periode allemaal gebeurde.



<