Hoofdstuk 19


Vers 1

Vijandschap komt openbaar.

Aan het hof komt nu een partij die David vijandig gezind is.

Dat was een breuk met het verleden.



Vers 6

Saul zwoer.

  1. Jonathan weet nu dat Saul het meent.
  2. Saul dwingt zichzelf om voortaan af te zien van zijn boze plannen.



Vers 7

Jonathan, de vredestichter.

Zalig zijn de vredestichters.



Vers 8

David trok uit.

David had een hoge rang in het leger.



Vers 9

Die boze geest is ws een engel die kwaad brengt, een oordeelsengel. Misschien te vergelijken met de verderfengel in Egypte.



Vers 10

Saul werpt de speer.

Dit is al de 2e keer.

In 1 Samuel 18:11 staat de 1e keer.



Vers 11

David in gevaar.

In Psalm 59 lezen we het gebed van David in die situatie.



Vers 13

Afgodsbeeld.

Letterlijk: terafim.

Wel erg dat er terafim in het huis van David waren. En dan nog zo'n groot beeld.


Geitenvel.

Dat legde men over het hoofd om insekten te weren.



Vers 18

Najoth.

Dat is géén plaatsnaam, maar Najoth betekent: woningen.

Daar woonden profetenzonen.



Vers 20

Profeteren.

= God groot maken.

De kracht van de Heilige Geest was daar.



Vers 22

Sechu.

De Septuaginta vertaalt: kale heuvel.



Vers 24

Ontmoeting met Samuël?

Volgens 1 Samuel 15:35 zouden Samuël en Saul elkaar niet meer zien.

Saul is hier in extase en naakt. Hij heeft daarom Samuël niet gezien.

De extase duurde bij Saul veel langer dan bij de anderen.



<