Hoofdstuk 18


Vers 1

Jonathan en David.

David als toekomstige koning wachtte niet op de plaats van Saul, maar op de plaats van Jonathan.

Met Jonathan kon David daarover spreken.



Vers 3

Verbond.

Een 2-zijdig verbond.

Beide partners hebben verplichtingen naar elkaar.



Vers 4

Gift van Jonathan.

Jonathan geeft zijn wapenrusting aan David.



Vers 5

Loyaliteit.



Vers 9

Hield David in het oog.

Letterlijk: keek scheel naar David.



Vers 10

De boze geest.

Die boze geest is ws een engel die kwaad brengt, een oordeelsengel. Misschien te vergelijken met de verderfengel in Egypte.



Vers 15

Verstandig gedroeg.

Kan ook betekenen: hij had veel succes, voorspoed.



Vers 19

Mehola.

De plaats Abel-Mehola in het stamgebied van Issaschar.


Adriël.

Een zoon van Barzillaï.

David wreekt zich niet, protesteert niet.

Saul hoopt dat David een strafbaar feit zal plegen.



Vers 20

Michal.

Michal is een samentrekking van Michaël = wie is aan God gelijk.



Vers 25

"Bruidschat ".

Saul hoopt dat David zal sneuvelen.

David doet later hetzelfde met Uria.



Vers 29

Vijand voor David.

Saul heeft David ongeveer 10 jaar vervolgd.

Toen David 30 jaar was werd hij in Hebron koning.



Vers 30

David, een strateeg.

De HEERE was met David.

Hij was daardoor een zeer succesvol legeraanvoerder.

Hij kreeg hoge achting, van volk en collega's.



<