Hoofdstuk 2


Vers 1

Gilgal.

Waarom begint de engel bij Gilgal?

Daar had het volk een verbond met God gesloten.

Als de engel uit Gilgal komt, is dat een herinnering aan dit verbond.

Bochim.

= zij die huilen.

De Septuaginta heeft Bochim en Bethel.


De Engel van de HEERE.

Israël heeft niet geluisterd naar de woorden van God die Hij had bekend gemaakt via Mozes en Jozua.

Nú komt God het persoonlijk zeggen.

In Richteren 1 lezen we de feiten. We hebben begrip voor de situatie van Israël.

Maar...nu volgt hoe God er naar kijkt. Hij heeft géén begrip.



Vers 2

Gods oordeel.

Jullie hebben niet naar Mij geluisterd.

Ongehoorzaamheid = ongeloof.

Israël zegt: "We konden het niet".

God zegt: "Jullie wilden het niet".


Israël meende dat ze hun ongehoorzaamheid voldoende onderbouwd had, maar God vindt het smoesjes.


Waarom hebben jullie dit gedaan?

Ze brengen God in een moeilijke situatie.

In vers 1 zegt God dat Hij Zijn verbond nooit zal verbreken, maar in vers 3 zegt God toch dat Hij voor hen de vijanden niet zal verdrijven.


Vraag.

Wanneer zeggen wij dat we iets niet kunnen, terwijl God moet zeggen dat we niet willen?



Vers 3

Daarom.

Prikkels.

In Numeri 33:55 was dat al gezegd.



Vers 4

Luid huilen.

Het volk is halfslachtig.

Ze zijn God niet gehoorzaam geweest, maar gelukkig zijn ze nog niet helemaal los van God.

Het bezoek van de engel doet iets met het volk.

  1. Ze huilen.
  2. Ze offeren. (vs 5)

Wie compromissen sluit met afgoden kan niet heilig leven.



Vers 5

Ze brachten offers.

Maar...gehoorzaamheid is beter dan offers!

Echt gehoorzaam zijn ze niet.



Vers 9

Thimnath-Heres.

In Jozua 24:30 staat Thimnath-Serah. Waarschijnlijk zijn er letters verwisseld.



Vers 10

Die de HEERE niet kende.

Ze wisten niet meer uit eigen ervaring van Gods wonderen.

Ze wisten ze alleen door verhalen.


Waar ging het fout?



Vers 11

Een steeds terugkerende cyclus.

  1. Israël, Gods vrouw, gaat vreemd. Ze houdt het met afgoden.
  2. God, haar Man, is na-ijverig. Hij wordt tot boosheid verwekt.
  3. Verdrukking door vijanden, juist volken wiens afgoden Israël diende.
  4. Redding door een richter.
  5. Na de dood van de richter gaat het weer mis.



Vers 13

Astarte.

Zedenloze tempeldienst.

Bij Astarte-altaar plaatste men vooral naaldbomen. Die werden tijdens het offerfeest versierd.

Asht-tart = vrouw die torens bouwt.(Babel)

Semiramis, vrouw van Nimrod, werd Astarte.

Astarte is een vrouwelijke Baäl.



Vers 15

De HEERE tégen hen.

Elke strijd liep slecht af.

Deuteronomium 31:16-21.

Leviticus 26:36-39.


Zeer bang.

Zoals de Kanaänieten waren voor Israël ttv. Jozua, zo is Israël nu voor de Kanaänieten.



Vers 18

Berouwde de HEERE.

De HEERE kreeg medelijden.



<