Hoofdstuk 1


Vers 1

Richteren.



Vers 3

Simeon.

Het erfdeel van Simeon lag helemaal in het gebied van Juda, volgens Jozua 19:1.

Simeon was de kleinste stam. Numeri 26:14.



Vers 5

Adoni-Bezek.

= Heer van Bezek.

Hij was koning van Bezek.



Vers 7

Zoals ik met anderen gedaan heb.

Tegenwoordig hebben veel mensen moeite met de uitroeiing van de Kanaänieten. Deze Adoni-Bezek heeft er géén moeite mee en vindt het rechtvaardig.


Rechtvaardig oordeel van God.

De goddelozen moeten de consequenties dragen van het leven dat ze geleefd hebben.

70 Koningen.

Volgens Jozua 12:24 versloeg Jozua 31 koningen.



Vers 8

Strijd tegen Jeruzalem.

Juda neemt Jeruzalem in. In Jozua 18:16 hoort het bij Juda. Zie ook Jozua 15:63.

In Jozua 10:1 is koning Adoni-Zedek koning van Jeruzalem

Hij wordt wel gedood, maar Jeruzalem werd toen niet ingenomen. Later moet David de stad weer veroveren. Dan wonen de Jebusieten er.


Jeruzalem lag op de grens van Juda en Benjamin.

In Richteren 1:21 verdrijft Benjamin de Jebusieten NIET.

In Jozua 15:63 woont Juda bij de Jebusieten.



Vers 13

Othniël.

= leeuw van God.

Kaleb is zijn oom.

Othniël trouwt met zijn nicht Achsa.



Vers 15

Achsa.

Deze vrouw is een échte dochter van Kaleb.

Ze wil het land in bezit nemen en er zich vestigen, maar ook de zegen van God daarin ontvangen.



Vers 16

Dit was eerder gebeurd.

Numeri 21:2-3.


Keniet.

De schoonvader van Mozes was Jethro of Rehuël.

In Numeri 10:29 is hij een Midianiet. Hij woonde ook in Midian toen Mozes daar kwam.


Palmstad.

Vespasianus zet de palm nog op een munt als hij rond 70 n C Judea verovert.


Ze woonden onder het volk.

In 1 Samuel 15:6 wonen de Kenieten tussen de Amalekieten.



Vers 17

Horma.

=ban.



Vers 18

Gaza en Askelon.

Niet lang bleven deze steden in bezit van Juda en Simeon.

In de Richterentijd woonden de Filistijnen er al, volgens Jozua 13:3.



Vers 19

IJzeren strijdwagens.

Begin van de ijzertijd.

IJzer gaf militair voordeel.

Maar... Juda vertrouwde niet op God. Deze houding leidt al snel tot totaal ongeloof. Ze gaan de afgoden van de Kanaänieten dienen.

Op God vertrouwen deed Barak later wel toen Sisera met 900 strijdwagens kwam.



Vers 20

Zonen van Enak.

Richteren 1:8.



Vers 21

Juda of Benjamin?

Jeruzalem lag op de grens van Juda en Benjamin.

In Richteren 1:21 verdrijft Benjamin de Jebusieten NIET.

In Jozua 15:63 woont Juda bij de Jebusieten.

David maakt deze stad tot hoofdstad. Geen stam werd bevoordeeld, want Jeruzalem hoorde nog bij geen enkel stamgebied.



Vers 23

Luz.

De Kanaänieten gebruikten de naam Luz.

Zie Richteren 1:26.



Vers 24

Ingang vd stad.

Waarschijnlijk een ondergrondse tunnel naar de bron.



Vers 27

Beth-Sean.

In Jozua 17:11 lijkt het of Manasse deze steden wel had veroverd.



Vers 28

Herendienst.

Israël maakte de Kanaänieten tot slaven, maar God had gezegd dat ze hen moesten uitroeien.

Gemak wint het helaas van gehoorzaamheid.

De gevolgen zijn vreselijk.



Vers 29

Gezer.

Pas in Salomo's tijd wordt Gezer bezit van Israël.



Vers 33

Zie Jozua 19:38.


Herendienst.

Het gemak wint het ook hier van vertrouwen op God. Ze zijn ongehoorzaam.


Beth-Anath.

De richter Samgar was een zoon van Anath.

Misschien kwam hij uit deze plaats.



Vers 34

Stam van Dan.

De stam van Dan wordt het bergland ingedreven. Hun gebied wordt te klein. Ze trekken naar het noorden.

Efraïm neemt nu het gebied van Dan erbij.



Vers 36

Sela.

De SV heeft daar: rotssteen.



<