Tola .
Hij hielp niet door strijd, maar door onderwijs.
Verlossen.
Waarvan?
Misschien verloste hij Israël wel van zichzelf, van onenigheid en onderlinge wedijver.
Dorpen van Jaïr.
In Deuteronomium 3:14 noemde de Manassiet Jaïr deze steden reeds zo, maar nu kwam die naam opnieuw in gebruik.
Dit is eigenlijk een stukje Juda in het Over-Jordaanse.
Afgoden.
Syrië: Moloch en Thammuz.
Sidon: Astarte.
Moab: Kamos.
Ammon: Milkom.
Filistijnen: Dagon
Israël wordt verdrukt door de volken waarvan ze de afgoden dienen. En Israël blijft ermee bezig. De Israëlieten denken dat ze die afgod niet goed genoeg dienen.
Filistijnen en Ammonieten.
Het zou kunnen zijn dat Jeftha en Simson tijdgenoten waren.
Misschien ook Eli.
Filistijnen.
Afstammelingen van Cham.
1 Kronieken 1:12.
God leverde hen over.
Dat houdt in dat God hen voor een tijd niet meer beschermt.
Toen riep Israël.
Pas ná 18 jaar.
Als de nood onhoudbaar wordt, dan pas wil Israël de afgoden verlaten.
Maonieten.
De Septuaginta heeft Midian. De Maonieten woonden tussen of bij de Midianieten.
Niet meer verlossen.
God wil Israël dwingen tot terugkeer, tot oprecht berouw over de zonden.
Spijt is onvoldoende. Spijt komt vaak door de gevolgen van de zonden.
Schuldbelijdenis.
De vraag aan God is nu anders dan in vers 10.
De nood is hoog.
Israël belijdt schuld.
Ze keren terug tot God. Dat laten de daden zien in vers 16.
Dan wil God barmhartig zijn.
In Gilead.
Dus in het Over-Jordaanse.
Mizpa.
Deze stad lag ook in Gilead, in het Over-Jordaanse volgens Richteren 11:29.