Hoofdstuk 11


Vers 1

Gilead.

Slag bij Afek.

In die strijd sneuvelen Hofni en Pinehas.

Algemeen neemt men aan dat de slag bij Afek rond 1080 v C was.

Rond 1400 trok Israël Kanaän binnen.

300 jaar later leefde Jefta, dus ongeveer 1100 v C.

Dan waren Eli en Jefta tijdgenoten.


Een bastaard.



Vers 3

Land Tob.

Dat ligt in Syrië. Misschien lag het ergens ten oosten van het Meer van Galilea.

Ze trokken erop uit.

Jefta was de leider van een roversbende.



Vers 8

Belofte aan Jefta.

Niet alleen legeraanvoerder maar ook leider in vredestijd.

Deze richter wordt door het volk gekozen!



Vers 12

Jefta stuurde boden.



Vers 13

Vals voorwendsel.

Israël had het Over-Jordaanse veroverd op de Amorieten, op Sihon en Og.

Dus zeker niet op de Ammonieten.

Sihon had eerder wel land van de Ammonieten veroverd en bezet.

Bovendien zou het recht van de Ammonieten al lang zijn verjaard, want Israël woonde er al 300 jaren.



Vers 22

Land van de Amorieten.

Israël heeft dit land niet veroverd op de Ammonieten, maar op de Amorieten. Sihon was de koning van die Amorieten.



Vers 24

Kamos.

Kamos was eigenlijk de afgod van Moab.

Ammonieten hadden Milkom, of Moloch.

Kamos is de engelvorst die ook als afgod wordt vereerd.

Israël is het deel van God zelf en heeft daarbij nog de enige bekende aartsengel als beschermer, nl Michaël.


Theologisch argument.

Jefta gebruikt een theologisch argument. Als de Ammonieten de Amorieten hadden verslagen omdat hun god Kamos hen de overwinning gaf, dan hadden zij ook dat land van de Amorieten ingenomen. Hun god Kamos had het gegeven.

Zo ook heeft de HEERE, de God van Israël, dit land aan ons, de overwinnaars, gegeven.



Vers 25

Balak van Moab.

Hebben jullie Ammonieten meer rechten dan de Moabieten?



Vers 27

Laat God oordelen.

De HEERE is de God van de goden. De rechter staat aan de kant van Israël.



Vers 29

De Geest van de HEERE.

Hoewel het volk Jefta had gekozen als richter, geeft God Jefta Zijn Geest.



Vers 30

Als U dit doet, dan...

Is dit een heidense invloed: ik los de belofte pas in ná goede afloop?

Zo denkt een Kanaäniet zijn afgod ook te beïnvloeden.

Jakob deed ook zo in Bethel.

De belofte.

Het was een belofte voor Gods aangezicht. Hij deed de belofte misschien lichtvaardig, maar hij hield de belofte wel, hoewel hij er spijt van had, dat hij de belofte had gedaan volgens vers 35.

Er ook nog een mogelijkheid om de belofte af te kopen.

Als de belofte een soort ban was, dan was die vrijkoopmogelijkheid er niet.



Vers 31

Dat wat naar buiten komt.

Hier is ook de vertaling mogelijk: die naar buiten komt.

Hier moeten we waarschijnlijk niet aan vee denken, want dat zou hij na de overwinning toch wel offeren.

Bovendien zou er één zelfstandig naamwoord in een andere vorm gebruikt zijn, als er een dier bedoeld was. En als Jefta een dier had bedoeld, zou hij zijn belofte nooit op zijn dochter hebben toegepast.


Offeren ten brandoffer.

In Leviticus 27:1-7 lezen we dat een vader zijn dochter aan de HEERE kon wijden. Ze werd dat een soort lijfeigene in het heiligdom.

Maar...Jefta was een bastaard. Zijn nageslacht was daarvan uitgesloten.

De vader kon haar ook weer loskopen.

De woorden "ten brandoffer" lijken loskoping uit te sluiten. Van een brandoffer kreeg je niets terug. Van een dankoffer wel.



Vers 35

Erop terugkomen.

De kennis van de Thora was noch bij Jefta, noch bij de priesters erg groot. Volgens Leviticus 27:1-7 zou de vader zijn dochter kunnen vrijkopen.

Wist Jefta wel van Deuteronomium 12:31?



Vers 40

Mét Jefta's dochter praten.

Dit houdt in dat Jefta's dochter bleef leven.


Maar...

Het kan ook vertaald worden met:

Dat lijkt op een jaarlijkse 4 daagse rouwherdenking.



<