Hoofdstuk 12


Vers 1

Menigte van getuigen.

De getuigen zijn allemaal geloofsgetuigen. Ze hebben allemaal geloofd in Gods beloften. Ze hebben allemaal in de loopbaan gelopen. Zij weten wat dat betekent. Hun strijd is nu ten einde. Nu zitten ze ahw op de tribune. Ze zitten in een grote menigte rondom ons. Ze kijken nu toe hoe wij presteren. Ze moedigen ons aan om vol te houden. Blijf trouw in het volgen van Jezus.

Geloof wordt beproefd. Volharden is nodig. Houd vast aan Gods beloften.

Afleggen van elke last...

Wie in de renbaan loopt, moet niet van alles meenemen. Dat hindert, dat zorgt dat je niet goed kunt presteren.

Zo moeten ook wij de zonde afleggen. De oude mens met zijn zondige daden moeten we uittrekken.

Wat zijn lasten?

Aardse dingen, hoe goed ook, die ons erg in beslag nemen. We mogen er wel van genieten, maar we mogen er ons niet op richten.

Deze lasten zijn op zich goede dingen en we nemen ze vrijwillig op ons, maar als ze ons in beslag nemen, hinderen ze ons in de wedstrijd.

Een last is niet hetzelfde als een zonde. Onze tekst maakt er onderscheid in.


Het doel.

De aanmoediging van de geloofsgetuigen is dat we moeten volhouden.

Het gaat er niet om dat we beter zijn dan een ander. Het gaat om het halen van de eindstreep. Houd vol. We krijgen allemaal een beloning.

Wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden.



Vers 2

Richt je oog op Jezus.

Doel: kijk naar Jezus opdat je niet zult bezwijken.

Jezus heeft op aarde

alle moeilijkheden ondervonden en overwonnen door Zijn onderwerping aan de weg die de Vader voor Hem had bepaald. Hij is de overste Leidsman, de Aanvoerder. Hij gaat je vóór op de geloofsweg tot je het einddoel, de volkomen behoudenis, hebt bereikt. Hij is ook de Voleinder, de Volmaker, de Voltooier. Hij voert de gelovige langs de geloofsweg naar de volmaaktheid.

De geloofsgetuigen raken nu op de achtergrond. Jezus komt nu duidelijk in beeld.

Vreugde in het vooruitzicht gesteld voor Jezus.

Aan Gods rechterhand.

Jezus zit daar als Hogepriester.

Hij is daar onze Voorspraak.



Vers 3

Tegenspraak verdragen.

Ze hebben Jezus vervolgd. Ze hebben geprobeerd om Hem op Zijn woorden te vangen. Hij is vernederd, geslagen, veracht, bespot, bespuwd.

Let daar scherp op. Het zal Zijn volgelingen op dezelfde manier vergaan. Door lijden tot heerlijkheid.

Doel.

Jezus deed alles niet voor zichzelf, maar voor ons.

Jezus geeft ons Zijn voorbeeld, opdat wij niet zullen verzwakken of bezwijken.



Vers 4

Nog niet tot bloedens toe...

De Hebreeën hebben niet alleen het leven nog niet verloren, maar ze hebben nog geen druppel bloed gelaten voor de Naam van de Heere Jezus, zoals de Heere Jezus en meerdere geloofsgetuigen vroeger wel hebben gedaan.


Strijden tegen de zonde.

Met “de strijd tegen de zonde” wordt hier niet bedoeld dat je strijd moet voeren tegen de in jou wonende zonde. Die strijd bestaat ook.

De Schrift zegt je dat je je voor de zonde die in je woont, dood moet houden.

Die zonden moet je doden en afleggen. De oude mens met zijn zondige daden moet je uittrekken.

Het gaat hier wel om de strijd tegen de zonde om je heen. Deze strijd sluit aan op wat de Heere Jezus aan tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen.



Vers 5

De vermaning vergeten.

In de aangehaalde tekst spreekt Salomo tot zijn zoon, maar híér wordt gezegd dat de vermaning tot hen, de Hebreeuwse gelovigen, is gericht. Dit is een belangrijk uitgangspunt als je de Schrift leest. Dan moet je bedenken dat de stem van God jóu aanspreekt. Omdat de Hebreeën deze vermaning van Salomo vergeten zijn, gaan ze verkeerd om met de moeilijkheden die zij op hun geloofsweg ondervinden.



Vers 6

De Heere bestraft.

Grieks Paideia =

Hij geselt.

Dat tucht/opvoeding pijn kan doen, duidt de term “geselt” aan. Hierbij kun je denken aan de doorn in het vlees bij Paulus.

Die doorn was smartelijk voor hem bij de uitoefening van zijn dienst. Het maakte hem verachtelijk (en dit verdroeg hij ter wille van de Heere), maar die doorn hield tevens zijn vlees in bedwang. Zo handelt God met “iedere zoon die Hij aanneemt”. In het woord ‘aannemen’ klinkt vreugde door. Het woord betekent ‘met blijdschap erkennen’.


De tuchtiging door God kan nodig zijn, omdat we sommige zonden niet serieus nemen. Elke zonde wordt door God gehaat. God wil dat we wegvluchten van de zonden.


Als we tegenslag ervaren, denken we vaak dat God afwezig is. Maar... nooit is God dichterbij dan wanneer Hij als Landman aan het snoeien is.



Vers 8

Bastaarden.

Als de Hebreeën geen deel aan de tucht / opvoeding zouden hebben, zouden ze zich zorgen moeten maken in plaats van zich zorgen te maken nu ze er wel deel aan hebben. Als ze er geen deel aan zouden hebben, zou dat betekenen dat God geen belangstelling voor hen had en hen als bastaarden behandelde. Bastaarden zijn kinderen die buiten het huwelijk geboren worden. Als dus de tucht aan hen zou voorbijgaan, zou dat betekenen dat zij naamchristenen zouden zijn. Nu ze wel getuchtigd worden, is dat dus het bewijs dat God hen als kinderen heeft aangenomen.



Vers 10

Deel krijgen aan Zijn heiligheid.

Het houdt in dat jij je afzondert van het kwaad zoals God ervan afgezonderd is en leert in alles geheel aan God toegewijd te zijn.

We moeten de oude mens afleggen en de nieuwe mens aandoen.

God éist hier geen heiligheid, maar Hij bewérkt die. De tucht is Zijn middel daartoe.



Vers 11

Nut van Gods bestraffing.

God voedt ons op, tot ons nut.

  1. We krijgen zo deel aan Zijn heiligheid. Hebreeen12:10.
  2. Het geeft ons een vrucht van gerechtigheid. We moeten steeds meer als rechtvaardigen gaan leven. Hebreeen 12:11.
  3. Het is een oefening in volharding en geduld. Wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden. Mattheus 10:22.



Vers 12

Slappe handen, knikkende knieën.

Dit is een citaat uit

Geestelijke oefening.

Geestelijke oefening geeft betere geestelijke weerstand.

Het is nuttig om de geloofsweg te lopen.

Die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen.



Vers 13

Rechte sporen.

We moeten geestelijk volwassen leven. Als we dat niet doen, wordt het geestelijke leven steeds minder: van kreupel tot ontwrichting.

Als we tot geestelijk volwassen christenen groeien, wordt het beter: het kreupele geneest.



Vers 14

Jaag de vrede na.

Jaag naar heiliging.

De wortel voor onze heilige levenswandel is Gods heiligheid. Hij haat de zonde. Daarom moeten wij ook de zonde haten.

Maar...onze heiliging is altijd onvolkomen.

Onze heiliging voor God berust geheel op Christus' werk.

Onze heiliging is dus géén voorwaarde voor ons behoud, maar het is er wél een onderdeel van.

Heiliging staat tegenover onreinheid in



Vers 15

Achterop raken.

Het bewustzijn van de genade van God is onontbeerlijk om op de weg van het geloof te blijven. Als iemand die genade niet meer voor de aandacht staat, zal zo iemand de wedloop opgeven en niet verder optrekken met het christelijk gezelschap. Die persoon raakt achterop.

Je kunt achterop raken als je niet de juiste prioriteiten stelt. Pas op dat de zorgvuldigheid van het leven het zaad van het woord niet verstikt. Dan draagt het geen vrucht.

Paulus schrijft zelfs dat we de genade van God tevergeefs hebben ontvangen als we die niet laten zien in het dagelijkse leven.




Vers 16

Ontuchtpleger.

In geestelijk opzicht is de omgang van de gelovige met de wereld een vorm van hoererij waarbij God buitenspel wordt gezet. De liefde gaat niet naar God, maar naar iets anders.

Als Ezau.

Hij verachtte Gods bijzondere zegen in het eerstgeboorterecht. Hij deed bewust afstand van de belofte aan Abraham en Izak betreffende de Messias. Ook de landbelofte veracht hij. Het gaat wel over Góds land dat de eerstgeborene krijgt.



Vers 17

4x staat er "hij".

  1. Ezau.
  2. Ezau.
  3. Izak.
  4. Ezau.

Deze volgorde klopt bij mogelijkheid 1 hieronder.


Hij vond geen plaats van berouw.

Twee mogelijkheden.

Mogelijkheid 2.



Vers 18

Twee bergen.

Tastbare berg.

Hier, bij Sinaï, ontmoette Israël de HEERE. Dat was een beangstigende ontmoeting.

Ook een ontmoeting op afstand. Israël mocht de berg Sinaï niet aanraken.

Contact met God was alléén mogelijk via een middelaar, Mozes of de hogepriester.


De niet-tastbare berg.

Er is nog een berg, die niet tastbaar is. Dat is de berg Sion in de hemel volgens

Dat is de "berg van ontmoeting" in de hemel.

Daar staat Gods troon.

Wij, gelovigen, hebben vrije toegang tot de troon van de genade. Wij mogen op deze "berg van ontmoeting" God de HEERE ontmoeten. We mogen met vrijmoedigheid naar Gods troon gaan.

Tekenen bij de Sinaï.



Vers 19

Bazuingeschal.

Geluid van woorden.

Zij smeekten..



Vers 20

Wat hun bevolen was.

Mozes beval het volk om bij de Sinaï te komen en om Gods woorden aan te horen. Ook wat zij zagen was verschrikkelijk beangstigend. Zelfs Mozes beefde.

Verboden Sinaï aan te raken.



Vers 21

Verschrikkelijk om te zien.

Zelfs Mozes vreest.



Vers 22

Afstand houden of naderen.

Drie synoniemen.

Galaten 4:26.

Openbaring 3:12.,


Genaderd tot de berg Sion.




Vers 23

Feestelijke vergadering.

Gemeente van de eerstgeborenen.

Toen Jezus stierf stonden er gelovigen op. Zij kwamen uit hun graven, nadat Jezus was opgestaan.

Jezus heet "de Eerstgeborene uit de doden".

Deze opgestane gelovigen zijn de "eerstgeborenen" van de eerste opstanding.

Zij kregen ook een verheerlijkt lichaam, waarmee ze in Jeruzalem verschenen. Zij zijn, behalve Jezus, de enige mensen die in de hemel zijn met hun lichaam. Zij zijn de enigen die reeds de volmaaktheid hebben.


Genaderd tot God.

Bij het oude verbond naderde het volk tot de berg Sinaï, maar bleef op grote afstand van God.

Nu, door de verzoening van Jezus, hebben wij een vrije toegang tot God. Hij is onze Vader.

Geesten van de rechtvaardigen.

Paulus is eens opgetrokken geweest in het paradijs, de derde hemel.

Daar, in het paradijs, zijn de geesten van de rechtvaardigen. Jezus heeft hen ná Zijn opstanding vanuit het dodenrijk naar het paradijs in de hemel gebracht.

Ze mogen naar het Vaderhuis als Jezus alle gelovigen ophaalt bij de eerste opstanding en de opname.

Als dat gebeurt, krijgt elke gelovige ook een verheerlijkt lichaam en dan komen ze tot de volmaaktheid. Dus is de volmaaktheid nú nog toekomst.



Vers 24

Gekomen tot de Middelaar.

Middelaar van het nieuwe verbond.

Eén van de zegeningen van het nieuwe verbond is dat de wet in het hart is geschreven.

We gaan zo precies op Jezus lijken, want Jezus, de Middelaar van het nieuwe verbond heeft de wet van God altijd in Zijn hart.

Besprenkeling.

Bloed van Jezus en van Abel.



Vers 25

Hem niet verwerpen.

God heeft gesproken door Zijn Zoon.

Verwerp Zijn woord niet.

God heeft gesproken op veel manieren.

Hem verwierpen die op aarde...

Israël verwierp Mozes, de middelaar van het oude verbond.

Hij gaf steeds Gods woorden door aan het volk.

"Hem" kan ook Noach zijn, gelet op het volgende vers waarin over een wankelende aarde wordt geschreven.



Vers 26

De wankelende aarde.

Dat was tijdens de zondvloed. Men luisterde niet naar Noach die Gods waarschuwing liet horen.


Nog eenmaal.

Dat gebeurt als Jezus wederkomt. De geschapen dingen zullen wankelen volgens vers 27.

De schrijver ziet nog verder dan het begin van het Messiaanse rijk.

Hij ziet dit gebeuren ook bij de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

De nieuwe schepping wankelt niet!



Vers 27

Dingen die kunnen wankelen.

Dat zijn de geschapen dingen.



Vers 28

Een onwankelbaar koninkrijk ontvangen.

Nú reeds zijn gelovigen onderdanen in een geestelijk koninkrijk.

Er komt een aards koninkrijk. Dat is het onwankelbare koninkrijk. Jezus gaat regeren op de troon van David.

Wij, Zijn bruidsgemeente, zullen met Hem regeren. Hij is de tweede Adam en de gemeente is "de tweede Eva".

Zijn koninkrijk is een eeuwig koninkrijk, onwankelbaar.


Die op de HEERE vertrouwt, zal niet wankelen in eeuwigheid.

Aan de genade vasthouden.

Er kan ook vertaald worden:

Iemand die de genade van God kent, is Hem dankbaar.

Wie ondankbaar is, leeft zónder Gods genade.

Wees dankbaar!

Op een God welgevallige manier leven.

In de tijd die ons nog scheidt van het onwankelbare koninkrijk moeten we zo leven dat God er blij mee is, met eerbied en diep ontzag.



Vers 29

Verterend vuur.




<