Hoofdstuk 2


Vers 1

Broeders.

Broeders en zusters hebben dezelfde Vader.


Onze komst bij u.

Paulus predikte de eerste keer dat hij in Thessalonika kwam drie sabbatten. In die korte tijd ontstond er een flinke gemeente.

Door vijandschap van de Joden vluchtten Paulus en Silas binnen 4 weken naar Berea.


Niet tevergeefs.



Vers 2

Lijden in Filippi.

Paulus wierp een waarzeggende geest uit.

Dat was aanleiding tot zijn gevangenschap.

Met veel strijd.

Vooral veel tegenstand van Joden.

Evangelie en verdrukking.

Paulus was voor de Thessalonicenzen zelf het voorbeeld, dat geloven in Jezus en verdrukking in de wereld samengaan. Paulus kon zijn wonden nog laten zien.


In onze God.

Paulus voelt zich omgeven door God. God is er altijd bij. Bij Hem zoekt Paulus zijn hulp.



Vers 3

Vermaning.

De oproep tot bekering.


Verdediging.

Paulus, Silas en Timotheüs moesten, vanuit Thessalonika, snel naar Berea vluchten. Daarna verspreidden de vijanden lasterpraat.

Ze hebben het over dwaalleer, onzuivere motieven, bedrog.


Geen bedrog.

Paulus heeft het evangelie niet als een lokkertje gebracht. Hij was duidelijk over de gevolgen van verdrukking en afwijzing. Zelf was hij het voorbeeld.



Vers 5

Meerdere getuigen.

Paulus stond bekend als

  1. Heilig.
  2. Rechtvaardig.
  3. Onberispelijk.
  4. IJverig.



Vers 7

Vriendelijk.

Deze eigenschap moet elke gelovige sieren.

Het is een vrucht van de Geest.

Paulus als moeder.

Paulus hield van deze gemeente zoals een moeder houdt van haar kind. De liefde voor de jonge gemeente staat bij Paulus voorop.

In vers 11 noemt Paulus zich een vader.



Vers 9

Nacht en dag werkten.

Paulus verdiende zijn eigen voedsel door tenten te maken.

Zo hoefde de gemeente hem niet te onderhouden en was hij niemand tot last.

Maar... hij was wel dag en nacht bezig met werken en prediken.


Het evangelie van God gepredikt.

Wet en evangelie verhouden zich als naald en draad.

De naald is nodig, maar het gaat om de draad.

De draad is het belangrijkst.

Wie alleen de wet predikt, werkt met een naald zónder draad.



Vers 10

Twee getuigen.

  1. De Thessalonicenzen.
  2. God.

Het leven van Paulus was heilig, rechtvaardig en onberispelijk.



Vers 11

Afzonderlijke gesprekken.

Paulus sprak met de gemeenteleden ieder afzonderlijk.



Vers 12

Waardig wandelen.

Leer en levenswandel moeten met elkaar in overeenstemming zijn.

Paulus riep hen op om vruchten voort te brengen die bij het evangelie en het geloof horen. Zelf was hij het goede voorbeeld.

"Wees mijn navolgers".

Volgens vers 14 zijn ze ook navolgers van de gemeente in Jeruzalem.


Hij roept tot Zijn koninkrijk.

Deze gelovigen zijn reeds onderdanen van het geestelijke koninkrijk van God.

roept God hen tot Zijn toekomstige koninkrijk. Het komt op aarde, 1000 jaar. Jezus regeert dan in Jeruzalem op Davids troon

en wij mogen dan met Hem regeren.

Zijn heerlijkheid.

Als Jezus verschijnt in heerlijkheid, dan mag de bruid, de gemeente, delen in Zijn heerlijkheid.

Gods doel.

God stelde Adam en Eva aan om over de aarde te heersen.

Door de zondeval verloor Adam die positie. Hij werd van heerser tot beheerder. Satan werd de overste van de wereld.


Toch houdt God vast aan Zijn doel: De méns zal over de aarde heersen, samen met zijn vrouw.

God vervult dat in de Laatste Adam, Jezus. Hij wordt de Koning van de koningen en zal heersen tot de einden van de aarde. Zijn vrouw, de gemeente, zal met Hem regeren.

Daartoe roept God ons in deze tekst:



Vers 13

De gemeente wordt geprezen.

De Thessalonicenzen hebben het woord van God ontvangen en ook aangenomen.

In vers 13 en 14 prijst Paulus de gemeente.

Het aangenomen woord is werkzaam. Ieder kan de vrucht van de Geest zien.

Paulus dankt ervoor.



Vers 14

Hetzelfde geleden.

Vervolging laat zien dat we bij Jezus horen.

We mogen er ons zelfs over verblijden. Jezus noemt ons zalig.

Ons overkomt niets vreemds als we vervolgd worden. Het hoort bij het christenzijn.



Vers 15

Hun eigen profeten hebben ze gedood.

Zacharia is gedood.

Elia weet van meer gedode profeten en zelf loopt hij ook gevaar.

Joden vervolgden Paulus.

In Thessalonika werd Paulus door ongelovige Joden verjaagd.

In Damaskus wilden de Joden de pasbekeerde Paulus al doden.



Vers 16

Joden verhinderen de prediking.

Na Thessalonika kwamen de Joden

ook in Berea verwarring stichten.



Vers 18

Satan.

Satan probeert de band tussen de gemeente en Paulus te verbreken.

Paulus ziet over deze teleurstelling heen. Als Jezus wederkomt, dan zullen ze verenigd worden en altijd bij de Heere zijn. Paulus verwacht dat spoedig. Paulus ziet deze gelovigen terug bij Christus en dat is de kroon op zijn werk.




Vers 19

Andere kronen:

  1. 1 Corinthiërs 9:25. Een onvergankelijke kroon.
  2. 1 Thessalonicenzen 2:19-20. De gemeente is de kroon van Paulus. De gemeente is ook een erekroon voor Jezus als Hij komt.
  3. 2 Timotheus 4:8. Kroon van de rechtvaardigheid die ieder krijgt, die Zijn verschijning heeft liefgehad.
  4. Openbaring 2:10. Kroon van het leven.
  5. 1 Petrus 5:4. Kroon van de heerlijkheid.



<