Hoofdstuk 28


Vers 1

Bij een verbondssluiting hoorde altijd zegeningen en vervloekingen.

Dit is de vloek van de wet.

Die vloek zal ieder treffen die de wet overtreedt.

Daarvan verlost Jezus ons. Hij werd een vloek voor ons.



Vers 10

Voor u vrezen.

In het vrederijk zal dat zeker zo worden.

Dan is Israël als een leeuw tussen de schapen.



Vers 13

In psalm 44:21-23 lezen we dat de vijand er niet is om te straffen voor overtreding van Gods geboden, maar de vijand is er omdat hij ons haat, omdat we aan God getrouw zijn.



Vers 15

Gods vloek.

Gods vervloekingen betekenen iets ergs. Deuteronomium 28:20 maakt dat duidelijk.



Vers 21

Verdwenen uit het land.

God verdreef de Kanaänieten vanwege hun goddeloosheid. Als Israël in dezelfde goddeloosheid terecht komt, moet ook Israël het land uit.

Het is immers Gods land, het Heilige land.



Vers 22

Korenbrand.

Dat is koren dat verdord is door de hete oostenwind.


Meeldauw.

Schimmel op de bladeren.



Vers 23

Er valt geen regen.



Vers 24

Stuifzand.

Sirocco: wind met stof en zand.



Vers 25

Over 7 wegen.

Israël zal dus alle kanten opvluchten.



Vers 30

In ondertrouw.

Hier wordt duidelijk dat men vóór het huwelijk geen gemeenschap had.



Vers 35

Zweren.

Gewrichtenmelaatsheid.



Vers 36

U naar een volk brengen.

Hier ziet Mozes profetisch reeds de ballingschap.

Het gaat om volken die Israël niet kende. Dus Mozes profeteerde niet over Assyrië of Babel, maar over de diaspora na 70 n C.



Vers 37

Een voorwerp van spot.



Vers 43

Lager en lager.



Vers 47

God dienen met blijdschap.

Israël moest de HEERE dienen met vreugde, blij met alles wat ze bezat en van God kreeg.

Als je verzuimt je te verblijden in God, dan is dat het eerste teken van verval. Het brengt ons onder de vloek van wettische godsdienst!.

Vreugde geniet van het moment.

We moeten God niet dienen uit dwang, maar vrijwillig. We moeten vreugde vinden in het dienen van God. Vooral verheugd zijn om wie Hij is.



Vers 48

Totdat Hij u wegvaagt.

Dit zal zijn op 70 n C.


IJzeren juk.

Het Romeinse Rijk is, in de droom van Nebukadnezar, ook het ijzeren rijk.

Dit rijk legt een ijzeren juk op Israël totdat het Israël wegvaagt in 70.



Vers 49

Een volk van ver weg.

De Romeinen kwamen van ver en hadden een adelaar in hun wapenschild.

Ook vers 51 klopt beter bij de Romeinen dan bij Nebukadnezar uit Babel.


Vreemde spraak.

De Romeinen spraken Latijn.



Vers 53

Kannibalisme.



Vers 56

Voeten niet op de aarde.

Die vrouw reed op een ezel of werd gedragen in een draagstoel.



Vers 57



Vers 63



Vers 64

Onder alle volken.

Dat betreft de diaspora ná 70 n Christus.



Vers 65

Een bevend hart.

Dat gaat over psychische nood.



Vers 67

Angst.

In 70 n C verkocht Titus 17.000 Joden als slaven naar Egypte.

Ze gingen per schip naar Alexandrië ( Vers 68).

Er waren zoveel slaven dat de marktwaarde bijna niets was.

<17 jaar werden de slaven verkocht voor een spotprijs.



Vers 68

Het vervolg.

Het vervolg lezen we in Deuteronomium 30.


Vervulling.

In 70 n C waren er zoveel Joden die als slaaf werden verkocht, dat ze niet eens allemaal verkocht konden worden.



<