Sabbatsjaar.
Elk zevende jaar was een sabbatsjaar.
Hier wordt een bijzondere menslievendheid voorgeschreven.
Kwijtschelding van schulden van volksgenoten.
Dat hoefde niet bij vreemden.
Gods zegen beloofd.
Als Israël nauwkeurig Gods geboden zou volbrengen, dan zou God zegenen.
Spreuken 19:27.
Een arme.
Altijd zullen er arme mensen zijn aan wie je geld kunt lenen of geven.
Gedachten zijn niet vrij.
Men mocht niet, als het sabbatsjaar naderde, overwegen om de arme maar niets te lenen. In het sabbatsjaar werden immers de schulden kwijtgescholden.
Later geven de apostelen aan Paulus en Barnabas de opdracht om aan de gebrekkigen te denken.
7e jaar.
Dat hoefde niet het sabbatsjaar te zijn. Langer dan zes jaar hoefde een Joodse slaaf een andere Jood niet te dienen.
Hij / zij kreeg ook, volgens vers 13, een loon mee.
Een Joodse slaaf was onder Israël geen koopwaar. Ieder Joods leven vindt men waardevol. Zelfs de doden vindt men waardevol.
Overvloedig geven.
God wil niet dat we karig zijn naar behoeftigen.
Dubbel zoveel opgeleverd.
De Joodse slaaf was eigenlijk 24 uur per etmaal in dienst.
Laat hem / haar na 6 jaar met vreugde vrij. Geef bovendien loon mee.
God zal daarover ZIJN zegen geven.
God kiest een plaats.
De Israëlieten mogen niet overal heiligdommen maken.
Tot op Hizkia waren er overal gewijde hoogten met altaren voor God.
God koos:
Een dier met een gebrek.
God wil alléén volmaakte offerdieren.
Offerdieren met gebrek zijn voor God een gruwel.
Binnen uw poorten.
In uw eigen woonplaats.