Hoofdstuk 14


Vers 19

Sprinkhanen.

Gevleugelde insecten met 2 springpoten mocht men wel eten. Denk aan Johannes de Doper.



Vers 21

Vreemde mocht het wel eten.

Een vreemdeling voelde zich niet gebonden aan de Thora.

Een kadaver mocht wel aan hem verkocht worden.

In Leviticus 11:40 wordt wel dood aas van een rein dier gegeten. Dat mocht bij hongersnood.


Bokje in melk koken.

Bij heidenen bestond het bijgelovige gebruik om aan het eind van de oogst een bokje te koken in de melk van de moedergeit. Daarmee besprengde men fruitbomen en wijnstokken om de vruchtbaarheid te bevorderen.



Vers 22

Belasting betalen.

De belasting was eigenlijk alleen voor de tabernakel en de dienst aan God.

Later wil het volk een koning. Samuel waarschuwt dat dit ook hogere belastingen betekent.

Dat werd zeker waarheid onder Salomo.



Vers 23

Tiendmaaltijd.

De tienden at men bij het heiligdom. Men moest zich over Gods gaven verheugen, samen met het gezin.

Tienden.



Vers 28

Om de drie jaar...

Elk 3e en 6e jaar na het sabbatsjaar moeten de tienden weggelegd worden voor de Levieten en de plaatselijke vreemdelingen, de plaatselijke wezen en weduwen.

Dan is er géén vreugdevolle gezinsmaaltijd.


In uw poorten.

In uw eigen woonplaats.



<