Hoofdstuk 10


Vers 1

In die tijd..

Volgens de Joden op 28 Av.

Na berouw en straf krijgt het volk toch weer nieuwe wetstafels. (huwelijksakten)



Vers 2

Die u verbrijzeld hebt.

God is niet boos dat Mozes dit deed. Het volk brak het verbond, het huwelijksverbond. Daarom maakte Mozes de wetstafels, de huwelijksakten, kapot.



Vers 3

Ik klom de berg op.

Volgens de Joden was dat op 29 Av.

Hier begint de derde periode van 40 dagen. Die begint 1 Elul en eindigt op Jom Kippur, de verzoendag.


Kist van acaciahout.

Dat is de ark van het verbond.



Vers 6

Aäron sterft.

Aäron sterft op de berg Hor.

Daar is hij ook begraven. Aäron werd verenigd "met zijn voorgeslacht".

Maar... daar op de berg Hor was niemand van Aärons voorgeslacht begraven.

Hij wordt met zijn voorgeslacht in het dodenrijk verenigd.

Niemand onder het OT kon zich uit de greep van het dodenrijk (=sheool) redden.

Ook Mozes stierf alleen en werd door God ergens in Moab begraven, alléén en niet bij voorouders.

Toch werd ook Mozes "verenigd met het voorgeslacht".



Vers 8

Levi afgezonderd.

De stam van Levi had niet meegedaan aan het feest met het gouden kalf.

De priesters mochten alléén de heilige voorwerpen aanraken.

De Levieten zorgden voor het transport van de rest van de tabernakel.



Vers 9

Levi heeft geen gebied in het land.

Levi krijgt 48 steden, verdeeld over het land.

De HEERE is zijn erfdeel.



Vers 10

De tweede keer dat Mozes 40 dagen bidt.

De eerste keer was na de zonde met het gouden kalf.



Vers 15

Liefde opgevat.

God heeft de hele wereld lief,

maar God heeft speciale liefde voor Israël. Israël is Gods vrouw.



Vers 16

Voorhuid van uw hart.

Mozes bedoelt: geloof in God, bekeer u, dien Hem met heel je hart.



Vers 19

Vreemdelingen liefhebben.

Als wij vreemdelingen lief hebben, lijken we op God. Dat wil Hij graag.

Zie vers 18.



Vers 22

Uw vaderen.

Jakob en zijn familie.



<