Hoofdstuk 4


Vers 1

De erfgenaam als kind.

Een onvolwassen kind staat onder toezicht. Hij kan nog niet vrij over de erfenis van zijn vader beschikken.

Voogden en verzorgers en leermeesters waken over hem. In dat opzicht verschilt hij niet van een dienstknecht.


De erfgenaam als volwassen zoon.

De volwassen zoon staat niet meer onder toezicht van de leermeester, de wet.

De zoon is nu vrij van de wet.



Vers 3

De grondbeginselen.



Vers 4

Uit een vrouw.

Jezus werd uit Maria geboren. Dat bewijst dat Hij waarachtig mens was.


Onder de wet.

Als mens was Jezus ook onder de wet. Vanwege onze zonde was de zondeloze Jezus ook onder de veroordelende macht van de wet. De wet zegt: doe dit en u zult leven.

Jezus vervulde de wet voor 100%. Daardoor verdiende Hij het leven.

Hij droeg ook de vloek van de wet en daardoor verloste Hij ons van die vloek.

Zijn bloed kwam in de hemel op het verzoendeksel en legde de wet, die in de ark lag, het zwijgen op.



Vers 5

Jezus verlost ons.

Jezus koopt gelovigen vrij van de wet. De wet is de eigenaar en wij zijn de slaven.

Hij betaalde met Zijn bloed.

De gelovigen zijn de bruid van Jezus, dus "schoondochter" van God.


Aanneming tot kinderen.

God neemt ons aan tot Zijn (schoon)kind, omdat we bij Zijn Zoon horen. Dat is dus géén adoptie maar door huwelijk met Jezus worden we Gods kind.

Niemand komt tot de Vader dan door Mij.

We mogen nu "Vader, Abba, Papa" zeggen tegen God.

Jezus aanvaardt ons.

Bij een huwelijk aanvaarden we elkaar vanaf het begin. Christus aanvaardt ons zodra we geloven en ons bekeren. Vervolgens leven we om Hem te behagen. Niet om door Hem aanvaard te worden, maar omdat we door Hem aanvaard zijn.



Vers 6

Abba, Vader.

Wij zijn kinderen van God.

De Geest krijgen we in ons hart.

We zijn erfgenamen van God.

We mogen Vader, pappa, zeggen.

Leer intiem om te gaan met je Vader.

Abba is Aramees.

Paulus schrijft aan Grieks sprekenden het Aramese woord "abba".

Waarschijnlijk om dat Jezus dat ook zelf gebruikt in



Vers 7

Erfgenaam van God.

Jezus is Gods enige Zoon.

Jezus is Gods erfgenaam.

De gelovigen, de bruid van Jezus, zijn mede-erfgenaam van Jezus en dus erfgenaam van God.

Wat zijn we rijk als we in Jezus geloven. We erven alles.



Vers 9

Wat meer is.

Wat nog belangrijker is.

Wat ons tot christenen maakt is vooral het feit dat God óns kent.

De onzekerheid of wij wel door God aanvaard zijn, is reden om steun elders te zoeken. Kijk liever naar God en hoe Hij ons kent in Christus. Zijn liefde fluctueert niet.


Arme grondbeginselen.

De wet brengt géén relatie met God.

De wet mag naast Christus geen plaats krijgen om iets bij te dragen tot onze zaligheid.

De wet brengt weer zware lasten.

De wet maakt ons weer tot slaven.

Keer daarheen NIET terug.


Andere vertalingen hebben i.p.v. grondbeginselen het woord wereldgeesten. Dat zou kunnen betekenen dat de Galaten toch weer heidense gewoonten gingen volgen. Ze volgen weer de afgodische stelsels van tijdswaarneming.

Pas op dat je niet opnieuw slaaf wordt van iets buiten God.



Vers 10

U onderhoudt...

De Galaten zijn dus op meerdere punten teruggekeerd tot de wet van Mozes.

Dat hoort allemaal bij de schaduw. Maar de schaduw laat zien dat er een lichaam is. Dat lichaam is veel méér dan de schaduw. Dat lichaam is Christus.



Vers 12

Wees zoals ik.

Voor Paulus was het in het leven Christus vóór en ná.

Eén en al Christus.

Geen aanvulling van de wet is er nodig.



Vers 13

Lichamelijke zwakheid.

Misschien had Paulus slechte ogen.

Dat verklaart dan de uitdrukking in vers 15.



Vers 14

Engel van God.

Beter: afgezant of boodschapper van God.


Als Christus Jezus.

Jezus was ook Gods Boodschapper op aarde. De Galaten hebben Paulus aangehoord alsof ze Jezus zelf hoorden.



Vers 15

Ze prezen zich gelukkig.

De Galaten waren zo gelukkig met de evangelieboodschap. Ze waren tot geloof gekomen.

Ze hadden grote liefde tot God, maar ook tot Paulus. Ze zouden, als dat kon, hem hun ogen gegeven hebben. Waarschijnlijk mankeerde Paulus iets aan zijn ogen.



Vers 17

Zij beijveren zich.

Dit zijn de Judaïsten die verwarring zaaien in de gemeenten.

Ze maken Paulus verdacht.

Hij bracht, volgens hen, maar een half evangelie.

Anders vertaald:

Verschil tussen Paulus en de valse leraars.



Vers 18

Beijveren is goed.

Maar... dan moet het wel voor een goede zaak zijn.



Vers 19

Barensnood.

Paulus ervaart pijn van deze situatie. Het kost hem veel om de Galaten weer op de goede weg te krijgen.


Gestalte.

Het grondwoord morphè duidt op "innerlijk".

We moeten dus innerlijk op Christus lijken.



Vers 21

Onder de wet.

"Onder de wet" betekent dat je je onderwerpt aan de wet, dat je op de wet vertrouwt voor je zaligheid.


Wet=Thora.

Daarin staat, in het boek Genesis, de geschiedenis van Sara en Hagar.



Vers 22

2 zonen van Abraham.

Hier is sprake van "typologie ".

Allen die onder het Sinaïtische verbond vallen, horen bij de slavin Hagar en zijn slaven van dit oude verbond. Het hoort bij de Joodse godsdienst, het aardse Jeruzalem. Sara, de vrije vrouw, is type van het nieuwe verbond, dat hoort bij het Jeruzalem dat boven is.


Oud------------nieuw

Ismaël -----------Izak

Nat.volk---------gelovigen

Geboren--wedergeboren

Hagar ------------Sara

Slaaf vd wet---vrij vd wet

Vlees -------belofte/geest

Sinaï --------------Sion

Aards Jeruzalem -------hemels Jeruzalem

Wet ----------------belofte

Verdienste ---genade

Onmondig --zoonschap

Voorhuid----hart besneden



Vers 23

Als nieuwtestamentische gelovigen zijn wij geestelijk gezien kinderen van de belofte (Sara) en geen slaven van de wet (Hagar). We moeten daarbij oppassen dat we onze vrijheid in Christus niet verliezen door zelf aan het werk te gaan.

We worden slaven van bijvoorbeeld onze eigen verlangens of ambities, van ons verstand of … van de mening van anderen.



Vers 24

Het Hagar-verbond.

Het Sinaïtische verbond , de wet op steen, de besnijdenis in het vlees.


Het Sara-verbond.

Het Nieuwe verbond, de wet in het hart, het hart besneden.


In Paulus’ allegorie vertegenwoordigt Hagar de wet en het aardse Jeruzalem, oftewel het volk Israël dat nog onder de wet leeft en ‘in slavernij’ is.

De wet had geen echte gelovigen gebaard, alleen maar slaven die hun meester moeten gehoorzamen. Vandaar dat Israël in slavernij (= onder de wet, de tuchtmeester) verkeerde tot de komst van de Messias. Christus’ vervulling van de wet, had daarentegen de weg geopend om Israël tot het zoonschap op te voeden. Zoonschap heeft in de Bijbel de betekenis van erfgenaamschap en houdt verband met geestelijke groei en verantwoordelijkheid dragen. Met de verwerping van de Messias heeft Israël als volk de groei naar het zoonschap geblokkeerd.



Vers 25

Waarom Sinaï?

Bij Sinaï werd de wet gegeven. De Joden, die door het houden van de wet gerechtigheid willen krijgen zijn "het huidige Jeruzalem", het aardse Jeruzalem.

Deze ongelovige Joden moeten werken voor hun zaligheid. Net als Hagar zijn ze slaven.


Slaaf of vrije?

Wij moeten niet wérken voor onze zaligheid, als slaven. Wij moeten rústen op het werk van Christus. Dan worden we om Zijn gerechtigheid, uit genade, zalig.

Het huidige Jeruzalem.

Deze Judaïsten verheffen de Talmoed boven de Torah en stellen hun overleveringen en eigen wetten boven het Woord van God en leggen mensen wetten op die God niet heeft gegeven, het zijn leringen en geboden die van mensen zijn en niet van God. Zij verwaarlozen en overtreden het gebod van God en houden zich aan de overlevering van mensen, waardoor zij Gods wetten en Zijn Woord buiten werking stellen en hun overleveringen in stand houden en maken zo Gods Woord en werk krachteloos.



Vers 26

Boven.

=Opwaarts gericht.


Onze moeder.

Paulus spreekt over het "hemelse Jeruzalem". Dat is onze "moederstad", daar is ons thuis, daar hebben we onze burgerrechten.



Vers 27

De onvruchtbare.

De onvruchtbare en eenzame, die geen weeën gekend had, is Sara. In het nieuwe verbond mag zij echter veel gelovige mensen zien. Ze slaakt vreugdekreten.



Vers 28

Broeders.

Paulus gaat ervan uit dat de Galaten echte gelovigen zijn, hoewel ze met dwaalleer in aanraking komen.


Ook in onze gemeentes verdrinken christenen vaak in de goede werken, omdat ze niet het werk doen dat God voor hen bereid heeft, maar omdat ze het werk doen dat God voor een ander heeft bedoeld. We vinden dat het moet gebeuren en … nemen het er maar bij. Intussen leggen we onszelf of elkaar slavenjukken op. We zijn echter kinderen van de belofte. We zijn vrij.



Vers 29

Vervolging.

Paulus wijst op de vijandschap in de tent van Abraham tussen het natuurlijke zaad (Ismaël) en de zoon van de belofte, Izak.

Zo is er ook vijandschap tussen hen, die onder de wet zijn en die God in de zichtbare dingen proberen te dienen (Judaïsten) en hen, die in de genade staan en door het geloof naar de Geest leven en daarom de vrucht van de Geest voortbrengen.


De koran.

Volgens de koran is Ismaël gezegend i.p.v. Izak. Zo proberen de Arabieren de zegen te stelen en is de vijandschap tot op heden groot.



Vers 30

Jaag Hagar weg!

Wie naar de Geest wil leven, moet het voorbeeld van Sara voor ogen houden. Deze duldde de zoon van de slavin niet langer in de tent. Zij zag aankomen dat deze in zijn haat de zoon van de belofte, Izak, naar het leven zou staan. Zo ook zou het geestelijke leven van de Galaten wijken, wanneer zij hun innerlijk leven zouden verbinden met Joodse wetten en inzettingen, die bij de schaduwdienst hoorden.Dan zouden zij bij wijze van spreken Ismaël en Izak weer in één tent laten wonen, wat onmogelijk is. De zoon van de vrije Sara, de geestelijke christen, zal de geestelijke goederen niet kunnen erven met de zoon van de slavin Hagar, het wettische Jodendom. Opnieuw benadrukt Paulus, dat de ware christen geen kind van de slavin is en niet onderworpen is aan de wet, maar kind is van de vrije, levend door het geloof en uit de kracht van God.


Het is dus niet alleen een kwestie van eeuwig behoud, maar ook een kwestie van erven. Een zoon erft, maar een slaaf blijft slaaf en kon in die tijd zelfs onderdeel van de erfenis zijn.


Weg met het zuurdeeg van de farizeeërs.

Galaten 4:4-7.



<