Hoofdstuk 5


Vers 1

Men hoort algemeen.

Deze zonde is dus algemeen bekend. Toch doet de gemeente niets. In zo'n gemeente wil God niet blijven.


Omgaan met zonde.

Als de gemeente grove zonden tolereert, dan functioneert de gemeente niet als gemeente van Christus.

Er is wel verschil tussen in zonde vallen ( dat kan ook een gelovige gebeuren) en in zonde leven.

Dat laatste is hier aan de orde.


De vrouw van zijn vader.



Vers 5

Overgeven aan satan.

Paulus geeft deze persoon over aan satan.

Satan mag hem ziek maken.

De zondige man was vleselijke begeerten gevolgd. Daar moest hij van afgebracht worden, tot behoud van zijn geest.

In de tweede brief lezen we over de goede uitwerking.



Vers 6

Zuurdeeg.

In de bijbel geeft zuurdeeg steeds "zonde" aan. Zuurdeeg bederft het goede.



Vers 7

Verwijder het zuurdeeg.

In Korinthe tolereerde men het grootste kwaad en tegelijk beroemde men zich om de vele geestesgaven. Dat past niet in een goede gemeente.

Wie het zuurdeeg, de zonde, niet weg doet, wordt zelf aangetast door het zuurdeeg. Zo woekert de zonde verder.


Ons Paaslam.

Bij het Pascha mocht geen gezuurd brood zijn.

Vreemd toch dat veel gemeenten bij het avondmaal gerezen of gedesemd brood gebruiken.

Jezus deed dat niet. Van het brood zei Hij: "Dit is Mijn lichaam". Jezus had géén zonden, zoals het brood geen zuurdeeg had.

Het beeld klopte met de werkelijkheid.



Vers 8

Feest vieren.

Het Pascha was het feest waarop het zuurdeeg verwijderd was. Daarna vierde men het feest van de ongezuurde broden.

Jezus is ons Paaslam. Wie Hem volgt doet het zuurdeeg weg.



Vers 9

Brief.

1 Corinthiërs 5:2.



Vers 11

Niet eten

We moeten afstand nemen van een broeder of zuster die in zonde blijft leven. We eten er niet mee en we vieren er zeker het avondmaal niet mee.



Vers 12

Tucht.

De tucht betreft alleen zondaren binnen de gemeente. Niet zondaren daarbuiten.



<