Hoofdstuk 10


Vers 1

Ik wil niet dat dit onbekend is.

Paulus vindt het volgende dus erg belangrijk.

Deelname aan de doop of het avondmaal maken niet zalig.


Wolk.

Exodus 13:21-22.

Exodus 14:19-20.

Deze bijzondere wolk is een beeld van de doop met de Geest.


Gedoopt.

Dopen is onderdompelen.


Dopen:

Precies zoals het Israël verging bij de tocht door de Rode zee.

De echte bevrijding van Egypte was de doortocht door de zee.

Een geloofsdaad.

Als wij bij de doop in het water ondergaan en er uit opkomen, dan is de vijand elk recht op ons kwijt.

De doop is dus:

Romeinen 6:3-11.

Vaderen.

Het gaat om mensen die wilsbeslissingen kunnen nemen. Het gaat niet over baby's.



Vers 2

Het wezen van de doop.

  1. Het oude slavenleven wordt achtergelaten. Zo wordt het oude zondige leven achtergelaten, begraven. Dat is een definitief afscheid.
  2. De gedoopten komen weer uit het water omhoog. Nu begint een nieuw leven, een leven waarin we God volgen en dienen.
  3. Het pad door de zee verdwijnt. Er is geen terugkeer meer mogelijk naar het oude slavenleven.
  4. Ieder die door geloof in Jezus het oude zondige leven vaarwel zegt, laat zich dopen. De dode oude mens wordt begraven. Romeinen 6:4-6. We staan daarna uit het doopwater op om in een nieuw godzalig leven te wandelen. Galaten 3:27.

Babydopers.

Babydopers zeggen: "Kinderen hoorden ook bij het volk Israël, dus werden toen ook gedoopt". Dat klopt, maar het grootste deel was ongelovig en kwam niet in Kanaän. Ze waren wel uit Egypte vertrokken, maar hadden het zondige leven niet verlaten. Ze maakten bij Sinaï al een gouden kalf.

Volwassendopers.

Volwassendopers zeggen: "In het OT gaat het over Gods volk Israël als het natuurlijke volk, ontstaan door natuurlijke geboorte. In NT gaat het over Gods volk als een geestelijk volk, ontstaan door wedergeboorte, gelovigen dus."

Die twee volken mag men niet zomaar gelijk stellen.


Vaderen.

Paulus heeft het in vers 1 over "vaderen" = mensen die verantwoordelijkheid dragen. Zij kunnen een wilsbesluit nemen. Het gaat niet over zuigelingen.


Gedoopt, niet behouden.

Alle Joden werden in de Rode Zee "gedoopt " en hoorden zo bij het koninkrijk van God. De meesten kwamen door ongeloof om in de woestijn. Doop maakt niet zalig, maar alleen geloof redt.



Vers 3

Geestelijk voedsel.

Het letterlijke water en manna hadden een geestelijke betekenis. Dat besefte Israël toen niet.



Vers 4

De steenrots.

De letterlijke rots krijgt hier een diep geestelijke betekenis.

In de midrash vertellen de Joden dat de steenrots meerolde. Die rots gaf water. De geslagen rots stelde dus ook Christus voor.

Mozes slaat op de rots.

Mozes slaat de rots voor de tweede keer, terwijl hij er tegen moest spreken.

Christus, de Rots, mocht maar 1x geslagen worden. Hij is het Levende Water.

Eén offer van Jezus was voldoende.


Die volgde.

Eeuwen later kwam Christus, het ware Manna en Het levende Water.

Hij volgde.

Ook wij hebben elke zegen te danken aan het werk van Jezus.

Allen.

Dat staat er wel 5x.



Vers 5

Ongeloof.

De meeste Joden waren ongelovig en kwamen daarom om in de woestijn.


Kwade dingen deden ze.



Vers 6

Deze dingen zijn gebeurd.

De ervaringen van Israël zijn ook "typen" van wat christenen in de wereld meemaken.


Wie gedoopt is...

De geschiedenis van Israël is een voorbeeld voor ons. Blijf ver van de zonden. De slavernij van de zonde lieten we immers achter ons. Je bent uit het water opgestaan, met Christus opgestaan. Leef je leven met God.



Vers 8

Hoererij bedreven.

Koning Balak nodigde, op aanraden van Bileam, Israël uit voor een afgodisch feest. Dat werd een orgie.



Vers 9

God verzoeken.



Vers 10

Mopperen van Israël.



Vers 13

Niet verzocht boven wat je aankunt.

Verzoeking komt van Satan en zijn handlangers.

Moeilijk hoor!

Je zult maar gemarteld worden om je geloof. Daar zijn mensen die het soms, na jaren, toch opgeven.



Vers 14

Wegvluchten.

Voor de zonde moeten we wegvluchten.

Zo deed Jozef ook toen hij in Egypte verleid werd.

We moeten zeker niet kijken hoever we met de wereld mee kunnen doen.


Weerstaan.

Satan moeten we weerstaan.

Geen afgodendienst.



Vers 16

Zegenen.

=dankzeggen.


Wij.

Dat zijn de gelovigen, het lichaam van Christus.


Met het bloed.

SV heeft: van het bloed.

In Korinthe raakte het avondmaal los van de gemeenschap en los vd eenheid.

Gemeenschap = samen ergens deel aan hebben. Allen die schuilen achter het bloed van Jezus, delen in die gemeenschap. In Korinthe miskende men de armen, die ook bij het lichaam van Christus hoorden.


Brood en wijn.

Brood wijst vooral op het sterven van Jezus voor ons. Hij liet Zijn lichaam breken. Dat lichaam had nooit zonde gedaan.

Jezus gebruikte daarom ook ongezuurd brood. Zuurdeeg is in de Bijbel beeld van de zonde. Zuurdeeg mocht er niet zijn als het paaslam werd geslacht.

Als we gedesemd brood gebruiken kan dat niet kloppen met:" Dit is Mijn lichaam". Jezus had géén zonde, dus gedesemd brood is NIET het beeld van Jezus' lichaam.

We denken bij het avondmaal aan ons Paaslam, dat voor ons gebroken werd. Dat kan toch alléén samengaan met ongezuurd brood.


Lichaam van Christus.

  1. Lichaam van Christus geofferd aan het kruis.
  2. Gemeente als lichaam van Christus.

Toen Jezus Zijn lichaam overgaf, ontstond Zijn lichaam nl. de gemeente.


Ons huwelijk is een beeld van Christus en de gemeente. Christus is de Bruidegom, de gemeente is de bruid. Zoals de man het hoofd is van de vrouw, zo is Christus het Hoofd van Zijn gemeente, het Hoofd van Zijn lichaam. Er is dus geen plaats voor ongelovigen aan het avondmaal. De gemeente bestaat voor 100% uit ware gelovigen.


Volgorde.

Hier eerst beker en dan brood. Bloed is wel de basis van onze gemeenschap.

In 1 Corinthiërs 11:24-25 is de volgorde andersom.


Heidense maaltijd.

Bij een heidense mysteriegodsdienst was ook een maaltijd. Daar at men vlees ipv brood.



Vers 17

Brood is één.

Uit veel graankorrels wordt 1 meel gemalen en 1 brood gebakken.



Vers 18

Gemeenschap met het altaar.

Bij dankoffers werd een deel aan God geofferd en een deel door de offeraar gegeten en een deel door priesters gegeten.

Zowel God als mens hadden bij het altaar deel aan het offer. Dat is gemeenschap.

Jezus is het offer. God is er blij mee en gelovigen ook.

Wie Zijn vlees eet en Zijn bloed drinkt, wordt een volwassen christen.

Het altaar is het kruis waaraan Jezus stierf.



Vers 19

Afgodenoffer.

Een afgodsbeeld is hout of steen en is dus geen god. En vlees blijft vlees.

Maar... afgodenoffer wordt geofferd aan demonen. Dat moeten de Corinthiërs goed weten. Géén omgang met demonen.



Vers 20

1 Corinthiërs 10:14.



Vers 22

De HEERE tot jaloersheid verwekken.

God is na-ijverig. Hij is jaloers als we de afgoden enige eer geven. Hij wil ons hart voor 100%. We moeten God dus niet na-ijverig maken.


Positieve jaloersheid.



Vers 23

Vrijheid.

Alles mag wel, als het maar is



Vers 25

Niets navragen.

Deelname aan heidense offerdiensten mag niet, maar als je vlees wil kopen, hoeft je niet alles na te vragen.

Wat niet weet, dat niet deert.

Al het voedsel komt van God en behoort Hem toe.

Je mag gerust ingaan op een uitnodiging van een ongelovige om te komen eten, maar ga niet naar een afgodische maaltijd.



Vers 28

Eet het dan niet.

Die ander, die je meedeelt dat het afgodenoffer is, is waarschijnlijk niet vrij in zijn geweten. Laat het vlees staan om die "zwakke in het geloof" tegemoet te komen. Zo handelt de liefde.



Vers 30

Maaltijd.

Dat is de maaltijd bij een ongelovige waarvoor een gelovige is uitgenodigd.


God danken.

Veel vragen, over wat wel of niet mag, worden opgelost als we God kunnen danken voor eten en drinken.



Vers 31

Alles tot Gods eer.

Dit is een gulden regel voor het christelijke leven.


Wat gebeurt in de gemeente...

  1. Is tot Gods eer.
  2. Is allemaal volgens Gods woord.
  3. Is tot opbouw van anderen. 1 Corinthiërs 14:3-12.
  4. Is tot versterking vh geloof. Romeinen 1:10-12.
  5. Is tot heil vd naaste. Filippenzen 4:5. Kolossenzen 1:28.



Vers 32

Geen aanstoot.

Zet Joden géén varkensvlees voor. Dan kwets je hem. Kwets ook géén ongelovigen en ook géén broeders of zusters.

Leef als Daniël.



<