Indeling.
Hoofdstuk 9: verleden van Israël.
Hoofdstuk 10: heden van Israël.
Hoofdstuk 11: toekomst van Israël.
Verkiezing.
Droefheid over Israël.
Paulus is bedroefd over de blindheid van Israël voor Jezus als Messias. En Israël was nog wel in zo'n bevoorrechte positie.
Ze verwierpen geen mens, maar Jezus is Gods zoon, die boven ieder geprezen moet worden.
Ze struikelen over de Hoeksteen, ze ergeren zich aan Hem.
Zo anders was het bij de gelovige heidenen, want die kenden Jezus als hun Fundament van hun leven.
Broeders van Paulus.
Dat zijn hier de Israëlieten.
Voor dat volk wil Paulus zich opofferen, vervloekt worden, zonder Christus zijn. Hij zucht onder het ongeloof van zijn geliefde volk. Ze hadden zoveel voorrechten en toch verwierpen ze Jezus.
Bij Christus weg.
Dat betekent verloren zijn.
In Exodus 32:32 wilde Mozes zich ook opofferen voor het behoud van Israël. Mozes wilde wel uit Gods boek geschrapt worden.
Mozes was middelaar van het oude verbond. Hij was niet de geschikte middelaar. Alleen Jezus kon Zich opofferen.
Ze zijn Israëlieten.
De in deze tekst opgesomde weldaden gelden alléén voor nakomelingen van Israël (=Jakob).
De weldaden gelden niet voor alle nakomelingen van Abraham of van Izak.
Voor Israël geldt de aanneming..
God koos Israël uit alle volken. Hij nam ze aan tot "Zijn kinderen". Juist aan dit volk wil God Zijn heerlijkheid openbaren.
Ze hebben zoveel voorrechten:
Zij zijn "vaten der barmhartigheid" (Romeinen 9:23) die er zijn om Gods heerlijkheid te laten zien.
Paulus spreekt niet in de verleden tijd.
God heeft Zijn volk NIET verstoten.
Heerlijkheid.
Beloften.
Christus was Jood.
Gods grootste geschenk was Christus. Juist dat geschenk verwierp Israël. Aangrijpend.
Die God is.
Jezus was God en is God. Toen Hij op aarde was, was Hij waarachtig Méns. Hij was ons in álles gelijk, maar Hij had géén zonde.
Jezus was géén Mens+ toen Hij op aarde was.
In alles was Hij afhankelijk van Zijn Vader. Hij wilde ook alléén de wil van Zijn Vader doen.
Vers 6b beter vertaald.
Het laatste deel van vers 6 kan beter als een vraag geformuleerd zijn:
Dwz. Alle 12 stammen uit Jakob (=Israël) voortgekomen, horen bij Israël.
Deze vertaling klopt precies met vers 4.
De HSV-vertaling van vers 6 is géén vraag en ontkent eigenlijk vs 4.
Immers ook ongelovige Israëlieten zijn uit de aartsvader Israël. Allen, uit aartsvader Israël geboren, horen bij Israël, Gods uitverkoren volk.
Dat was nog niet zo bij Abraham. Niet al Abrahams nakomelingen hoorden bij Israël. (bv Ismaël hoorde er niet bij). Ook niet al Izaks nakomelingen hoorden bij Israël. (Ezau hoorde niet bij Israël )
Maar...al Jakobs nakomelingen horen bij Israël.
Ook niet.
Als 6b niet als vraag geschreven wordt, dan klopt de aansluiting met vers 7 eigenlijk niet goed.
Daarom hebben de statenvertalers er "ook" voorgezet.
Maar als 6b wel een vraag is, dan kan "ook" beter weer weg.
Samenvatting 6-13
Dus: alles is Israël dat uit Jakob is voortgekomen. Vers 6
Dat is niet zo bij Abraham. Daar was alleen Izak "kind vd belofte" (Vers 7) en niet Ismaël of de zonen van Ketura.
Dat is ook niet zo bij Izak en Rebekka. Daar is alléén Jakob "kind van de belofte" (Vers 12) en niet Ezau.
Kind van het vlees.
Dat waren Ismaël, de zonen van Ketura.
Kinderen van de belofte.
Zoon van de belofte.
Izak was niet de oudste zoon van Abraham, maar wel de beloofde zoon.
Izak kreeg de belofte van Abraham ook. En God houdt zich aan die belofte. God blijft dus ook trouw aan het volk van Izak.
Maar... niet alle nakomelingen van Abraham, niet alle kinderen van het vlees, horen bij Israël. Dat probeert Paulus duidelijk te maken.
Voornemen van God.
God verkiest en houdt daaraan vast.
Israël was niet het oudste volk, maar het wordt wel Gods eerstgeborene.
God blijft trouw aan Zijn keus.
Heel vaak koos God NIET de oudste.
Verkiezing berust niet op afstamming.
Meerdere
= Ezau.
Mindere
= Jakob.
Jakob heb Ik liefgehad.
Paulus heeft het in de context over de verkiezing van Israël (niet over verkiezing tot zaligheid) en de onveranderlijke liefde van God voor dit volk. Het gaat Paulus vooral om de woorden: Jakob heb ik liefgehad. God wil via Jakob verder werken. Hier staat niets over de eeuwige verwerping van Ezau.
Haten.
Zo werd bv. Lea "gehaat" ten opzichte van Rachel. (SV)
De tekst uit Maleachi 1:2-3 is niet tegen Rebekka gezegd, maar pas na veertien eeuwen opgeschreven. God haatte Ezau niet als baby, maar wel om wat Ezau en zijn nakomelingen (Edomieten en Amalekieten) vele eeuwen deden, 1400 jaren van goddeloosheid van Ezau en zijn nakomelingen. Er was geen godsvreze meer bij de Edomieten en Amalekieten.
Onrechtvaardigheid?
Is er onrechtvaardheid bij God omdat God niet ieder gelijk behandelt? Omdat God soms oudste zonen passeert?
Onrechtvaardigheid kan bij God niet.
God sluit niet buiten, maar onze zonden doen dat.
God sluit juist mensen in.
Over wie , voor wie.
Deze woordjes slaan hier op "volk" en niet op "individu". Het gaat in de context steeds over "volk".
In vers 18 gaat het wel over individuele personen.
God verwerpt...
God heeft géén verkiezing tot verwerping.
God wil dat ieder zalig wordt.
God verwerpt diegene die God verwerpt.
Mozes is een voorbeeld van ontferming.
Farao is een voorbeeld van verharding. Hij verhardde zich en uiteindelijk gaf God hem aan de verharding over.
Het hangt niet af van onze wil.
Gods handelen is niet afhankelijk van onze wil.
God komt met Zijn woord en trekt ons.
Als we Zijn woord geloven, is dat géén wérk, maar vertróuwen op het werk van Jezus. Zalig worden hangt dus niet af van onze wil. Niet wíj bepalen hoe we zalig worden. God heeft de weg van de zaligheid bepaald. Alléén door Jezus kunnen we tot de Vader komen.
Alles wordt bepaald door God die zich ontfermt. Hij gaf in liefde Zijn Zoon. Dat is de enige Weg.
Gods verkiezing.
In de gereformeerde traditie is de verkiezing door God het uitgangspunt. Het moment van geloof is echter het beslissingspunt. Door het geloof worden we zalig.
Wie in Jezus gelooft, heeft eeuwig leven.
Als in de prediking de verborgenheid van de verkiezing en niet de zekerheid van de belofte het uitgangspunt is, wordt prediking verkondiging van de onzekerheid, die eindigt met een vrome wens.
God plaatst ons door verkiezing in een bevoorrechte positie, opdat we God zouden leren kennen en liefhebben. En om het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn.
God koos Abraham (Genesis 18:19) met 2 doelen.
Verkoren met een doel lees je ook in:
God werkt Zijn verkiezing uit door Zijn roeping.
De Schrift zegt..
Deze uitdrukking is voor Paulus identiek met: God zegt.
Verharding.
Na de zesde plaag gaf God farao, na veel waarschuwingen, over aan de verharding.
God veroorzaakt de zonde niet, maar Hij houdt farao er ook niet meer van terug.
God heeft wel veel geduld. God hoopt steeds op bekering en verdraagt de zondaar heel lang.
Farao verhardde zich niet omdat God hem verhardde.
God verhardde farao, omdat farao zich voortdurend verhardde.
Gods verkiezing.
God plaatst ons door verkiezing in een bevoorrechte positie, opdat we God zouden leren kennen en liefhebben.
Romeinen 8:29.
God koos Abraham Genesis 18:19 met 2 doelen.
Verkiezing met een doel lees je ook in:
Jesaja 43:10.
Johannes 15:16.
Handelingen 9:15.
1 Corinthiërs 1:27-28.
Ef 1:4.
Jacobus 2:5.
1 Petrus 1:2.
1 Petrus 2:9.
Deuteronomium 14:2.
Deuteronomium 18:5.
Deuteronomium 21:5.
1 Samuel 2:28.
1 Koningen 8:16.
1 Kronieken 15:2.
1 Kronieken 28:4-5.
1 Kronieken 28:10.
2 lijnen in de bijbel.
God verkiest.
De mens biedt verzet.
Verkiezing is géén lot of noodlot. Verkiezing is pure genade en ontferming.
De pottenbakker kan van gedachte veranderen.
In Jeremia 18 gaat het over het teken van de pottenbakker.
God wil duidelijk maken dat Zijn besluiten niet altijd vaststaan. Ze zijn niet onveranderlijk, hoewel God zelf onveranderlijk is. De pottenbakker kan een vat in elkaar slaan en hij kan daarna ook het mislukte vat omvormen tot een goed vat.
Vgl. Nineve, na de preek van Jona. Gods boodschap was dat Nineve verwoest zou worden, maar na bekering van de Ninevieten deed God het niet.
Ook verandert God Zijn besluit om de zonden van Eli.
Hizkia krijgt de boodschap dat hij zal sterven, maar na gebed krijgt hij nog 15 levensjaren.
Amos brengt God tot een ander besluit.
Met veel geduld.
Pas na de 6e plaag geeft God farao over aan verharding. Met veel geduld heeft God farao laten waarschuwen. Farao heeft de woorden gehoord en Gods machtige daden gezien. Als hij niet luistert, wordt hij een "vat van toorn".
God heeft veel geduld met "oneervolle voorwerpen".
God heeft geduld en wil dat "oneervolle voorwerpen " behouden worden.
Je weet dat je uitverkoren bent als je gelooft.
2 soorten vaten.
Besluit van verkiezing.
"Eervolle voorwerpen" zijn van tevoren toebereid tot heerlijkheid.
De "voorwerpen van Zijn toorn" (vers 22) zijn niet van te voren toebereid.
Hen.
= vaten van de barmhartigheid.
Namelijk ons.
Dat stukje staat cursief, dus staat er eigenlijk niet.
Dus: die "vaten van barmhartigheid", waarin God Zijn heerlijkheid wil tonen, komen niet alleen uit de Joden, maar nu ook uit de heidenen.
Profetie van Hosea.
Hosea 2:22 is een tekst voor Israël, dus voor "vaten van de barmhartigheid."
Omdat nu ook uit de heidenen "vaten van barmhartigheid" zijn, past Paulus deze tekst ook op deze heidense vaten toe.
Namen uit Hosea 1.
Kinderen van God
Israël was het kind van God, Gods eerstgeborene.
Nu worden er ook uit de heidenen mensen tot kinderen van God aangenomen. Ook uit hen zijn er "vaten van barmhartigheid." Eerst waren die Lo-Ammi (Niet Mijn volk), maar nu worden ze door geloof Ammi. (Mijn volk)
God laat Israël nooit los.
Paulus is verdrietig over het ongeloof van Israël, maar er blijft hoop. God gaat verder met een deel van Israël.
Israël is Gods vrouw.
God blijft aan Israël trouw. God is géén echtbreker, ook al gaat Israël vaak vreemd.
Dat is agape-liefde van God. Eenzijdige liefde en oneindige trouw.
HEERE Sebaoth.
= HEERE van de legermachten.
Rechtvaardig.
Deze eigenschap hoort bij God. God is rechtvaardig.
Conclusie van Paulus.
Hoe komt dat ongeloof van de Joden?
Hoe zijn de heidenen rechtvaardig geworden?
Israël heeft zich gestoten.
Israël wilde door werken vd wet gerechtigheid ontvangen. Maar de juiste weg is: gerechtigheid door geloof ontvangen.
En geloof richt zich op Jezus. En juist Jezus was voor de Joden een steen waaraan ze zich stootten.
Struikelblok.
Het volk Israël maakt verkeerde keuzes. Daarom struikelblok.
Je kunt over deze steen struikelen, maar je kunt er ook op bouwen. Dan is Hij een Hoeksteen, een fundament.