Hoofdstuk 4


Vers 1

2 aspecten van het geloof.

Wie gelooft in Jezus ontvangt vergeving van zonden.



Vers 2

Wetswerken of goede werken.

In Abrahams tijd was de wet van Mozes er nog niet, maar toch werd Abraham niet zalig door eigen werken.

Wel liet zijn geloof goede werken zien. Daardoor was duidelijk dat hij geen dood geloof had.

Jacobus zegt dat Abraham uit de werken gerechtvaardigd is.

Abraham deed wat God vroeg.

Geloven= gehoorzamen.

Zijn geloof had goede werken. Daar let Jacobus op.

Werken maken het geloof volmaakt en ze horen onlosmakelijk bij het ware geloof.



Vers 3

De Schrift zegt.

Abraham was toen nog niet besneden en ook de wet van Mozes was er nog niet.


Geloven.

Ik heb véél aan mijn geloof, maar ik heb álles aan het voorwerp van het geloof, Jezus onze Verlosser.



Vers 5

Geloof.

God vraagt geloof. Geloof Zijn beloften. Hij vraagt niet om gebed om geloof.

Geloven is ook de verantwoordelijkheid van de mens. God geeft ons zelfs een gebod om te geloven.

Maar geloof is toch geen wérk van ons. Door wérken worden we niet zalig.

  1. Geloof is vertrouwen op het verlossingswerk van Jezus.
  2. Geloof is "zien op Jezus", zoals Israël keek naar de koperen slang.
  3. Geloof is God vertrouwen en Hem gehoorzamen.



Vers 6

Rechtvaardigheid toerekenen.

God verklaart rechtvaardig om het geloof in Christus. Geloof is geen wérk, maar juist een steunen, vertrouwen, op Jezus' werk.

Rechtvaardigmaking door geloof gebeurt 1x.

Jacobus heeft het ook niet over wetswerken, maar over goede werken, vruchten van het geloof.


Hebreeuws of Grieks denken.

We worden behouden door geloof, we worden geoordeeld naar onze werken. Mensen moeten ons geloof in onze daden zien.



Vers 7



Vers 9

Voor wie geldt deze zaligspreking?

Het antwoord staat in vers 10.



Vers 11

Zegel van gerechtigheid.

Bij Abraham was de volgorde:

Het geloof van Abraham was er al vóór de besnijdenis. De toegerekende rechtvaardigheid dus ook.

De besnijdenis kwam later en was een zegel van de ontvangen gerechtigheid. Allen die geloven hebben Abraham tot vader en ontvangen ook de gerechtigheid, zelfs als ze niet besneden zijn.

Voor ons is er ook een zegel van het geloof nl. de Heilige Geest.

Is de doop ook een zegel?

Dat de doop een zegel is, staat nergens in de bijbel. Door redeneren vanuit de besnijdenis, komt men tot de uitspraak, dat de doop een zegel is.

Een zegel geeft geldigheid aan een contract.

Maar... een proseliet of bekeerde Jood heeft toch niet 2 zegels?

  1. Besnijdenis.
  2. (Proselieten)doop.



Vers 12

Vader van de Joden.



Vers 13

De belofte is niet door de wet.

De wet eist.

De wet belooft alléén iets als we de wet volbrengen.

Door de gerechtigheid van het geloof ontvangen we het beloofde.


Erfgenaam van de wereld.

Kosmos = wereld.

De rechtvaardigen zullen de aarde beërven.

Erfgenaam van de toekomende wereld, het vrederijk.

Dat is de wereld waarop vrede en gerechtigheid woont.



Vers 14

Een wetsvolbrenger is géén erfgenaam.

De wet kwam pas 400 jaar ná Abraham.

Abraham was allang vóór de wet erfgenaam. Hij was erfgenaam door geloof. Hij geloofde God op Zijn woord.



Vers 15

De wet brengt toorn.

De wet eist gehoorzaamheid.

Als we ongehoorzaam zijn, dan eist de wet straf.

De wet brengt ons géén gerechtigheid. Dat doet alleen Jezus, die de wet vervulde en de vloek van de wet droeg.



Vers 16

Daarom is het uit het geloof.

Het = de belofte (vs 13)

Díe belofte is:

Voor wie is Abraham een vader?


Uit de wet.

= Joden


Uit het geloof.

Heiden en Jood.


Abraham is vader van de Joden en geestelijk vader van de gelovigen.



Vers 17

Die de doden levend maakt.

Hebreeen 11:18.

Vele volken.



Vers 18

Tegen alles in gehoopt.

Dit is een voorbeeld voor ons. Blijf geloven. Blijf hopen op Gods woord.



Vers 20

Niet getwijfeld.

Abraham kreeg de belofte dat hij een zoon zou krijgen. Dat Sara de moeder zou zijn, lag voor de hand, maar werd er niet bij gezegd.

Ook toen hij Hagar nam, twijfelde hij niet aan Gods belofte. Dat Sara de moeder zou worden vh beloofde kind, werd pas later nadrukkelijk gezegd.



Vers 21

Ten volle van overtuigd, verzekerd.

Een gelovige is verzekerd van wat God heeft beloofd. Hij is verzekerd van de dingen die hij door het geloof heeft aangenomen.

Hij leeft uit Gods beloften..

Werk van de Heilige Geest.

De Heilige Geest overtuigt van zonde. Welke zonde?

Van de ergste zonde, de zonde van ongeloof.

Ongeloof houdt God voor een leugenaar terwijl Hij de Waarheid is.



Vers 24

Ook voor ons.

Ook voor ons is het opgeschreven. Wij moeten, net als Abraham, vasthouden aan Gods beloften. Daarin ligt onze zekerheid.

Hebreeen 6:17-20.


Toegerekend.

We hebben er géén recht op, maar het wordt op onze rekening bijgeschreven. We hebben er niets voor gedaan.

Wat wij verdienden, werd Christus toegerekend. Jezus had dat ook niet verdiend



Vers 25

Om onze overtredingen.

=vanwege onze zonden.


Om onze rechtvaardigmaking.

Jezus deed in de hemel met Zijn eigen bloed verzoening.

De opstanding van Christus is een duidelijk bewijs dat God met het offer van Jezus tevreden was. God heeft Hem opgewekt, opdat Jezus als hogepriester verzoening zou doen. Dit met het oog op onze rechtvaardigmaking.

Een tweede doel van de opstanding.

Ondanks de natuurwetten.

De wet van de zwaartekracht voorspelt dat een vallende steen naar het middelpunt van de aarde wil.

Maar... we kunnen de steen opvangen en zo in de natuurwet ingrijpen. Daarmee verandert de natuurwet niet.

Zo kan God ook ingrijpen in de natuurwet dat een dode niet meer levend wordt. Zo heeft God Jezus opgewekt door in de natuurwet in te grijpen, zonder de natuurwet te veranderen.



<