Hoofdstuk 20


Vers 2

Welke bevoegdheid.

Het sanhedrin wist goed dat de reiniging vd tempel hoorde bij de taak vd Messias. Daarom vragen ze Hem ernaar.

Zij hadden Hem niet gezegend vanuit het heiligdom en daar wachtte Jezus wel op.



Vers 4

De doop van Johannes.

Men vroeg Jezus naar Zijn autoriteit.

Jezus kreeg die van God toen Hij door Johannes de Doper gedoopt werd.

Direct ná Zijn doop, klonk de stem van God en daalde de Heilige Geest op Hem.

De farizeeërs waren daar getuige van geweest. Ze wisten ook wat Johannes over Jezus had gezegd.



Vers 9

Wijngaard.

Dat is Israël.


Landlieden.

Leiders van Israël.

Zie vers 19.



Vers 10

Dienaar.

Een profeet.



Vers 13

Mijn geliefde Zoon.

Dat is Jezus.

Hij kondigt hier Zijn dood aan en Hij wijst ook de daders aan.



Vers 16

De wijngaard aan anderen.

Het volk Israël zal in het jaar 70 uit het land verdreven worden. Anderen nemen het land in bezit.


Dat nooit.

De Naardense Bijbel vertaalt: moge dit nooit gebeuren.



Vers 18

Hoeksteen.

Deze hoeksteen lag NIET in het fundament, maar was de sluitsteen in de poortboog.

Volgens ons vers zou de steen kunnen vallen.


Steen.

Verwijst dit misschien ook naar de steen uit de droom van Nebukadnezar in Daniel 2?



Vers 23

Hun sluwheid.



Vers 24

Laat me een penning zien.

Dat betekent misschien dat Jezus zelf zo'n Romeinse munt niet heeft.

Zeloten vonden het zelfs zondig om zo'n Romeinse munt bij je te dragen. Ze waren ook fel tegen het betalen van belasting.

Op de munt stond de afbeelding vd vergoddelijkte keizer. Dat streed, volgens de Joden, met het 1e en 2e gebod.


Beeld en opschrift.

De afbeelding was van keizer Tiberius.

Het opschrift luidde: Tiberius Ceasar, zoon van de goddelijke Augustus.



Vers 25

Geef dan...

Het grondwoord heeft een dubbele betekenis:

  1. Het verschuldigde afdragen.
  2. Teruggeven.

Het allereerste wat God toekomt, is dat je die afgodische munten niet bij je draagt, maar ze haastig aan de keizer afdraagt.

Dit alles gebeurde in de tempel. Velen waren er getuige van dat de vrome Joden deze munten op zak hadden.



Vers 27

Sadduceeën.



Vers 28

Zwagerhuwelijk.



Vers 34

Déze wereld.

In het vrederijk zal het huwelijk bloeien.

Maar... de opgestane gelovigen huwen dan niet. Zij hebben een opstandingslichaam.



Vers 35

Opstanding uit de doden.

Dit is iets anders dan "opstanding van de doden".

De opstanding uit de doden is de 1e opstanding. Daarvan is Jezus de Eersteling.

Ook Paulus wilde bij deze zalige opstanding zijn.

Waard geacht.

Deze 1e opstanding is een voorrecht. Het is uit genade.



Vers 36

Niet meer sterven.

Ze hebben een verheerlijkt lichaam en daarmee zijn ze aan Christus gelijk geworden. Ook Christus sterft niet meer.


Kinderen van God.

Als je in Jezus gelooft, hoor je bij de bruid van Christus. Dan hoor je bij de "schoondochter" van God.

Zo ben je, door Christus, ook een kind van God.

Je bent ook erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus.

Kinderen van de opstanding.

Gelovigen zijn met Christus opgestaan in een nieuw leven.



Vers 38

Voor Hem leven zij allen.

Dit is echt actief leven.



Vers 41

Zoon van David.

De Joden zien de Messias wél als Zoon van David, maar NIET als Zoon van God.


David zelf zegt NIET:" Mijn zoon", maar "mijn Heere".

Jezus bewijst Zijn godheid.

Hier bewijst Jezus dat Hij Davids Zoon is, maar ook Gods Zoon.

Hij zat, en zal straks opnieuw zitten, aan Gods rechterhand.

Om de uitspraak dat Hij Gods Zoon is, wordt Jezus straks veroordeeld.



Vers 46

Wees op uw hoede.

De schriftgeleerden waren op eer gesteld.



Vers 47

Huizen van weduwen verslinden.

Schriftgeleerden hadden, naast hun onderwijsgevende taak, ook een beroep.

Denk aan Paulus. Hij was tentenmaker.

De schriftgeleerden waren vaak arm en gingen klaplopen bij weduwen om aan de kost te komen.

Vgl. Vrouwen dienden ook Jezus met hun goederen.



<