Hoofdstuk 16


Vers 1

De rentmeester.

Die stelt de tollenaar voor.

Hij verrijkte zich ook ten koste van anderen.


Taak vd rentmeester.



Vers 2

Geef rekenschap.

De rentmeester moet zijn eerlijkheid bewijzen in de boekhouding.



Vers 3

Wat moet ik doen?

De rentmeester zoekt een middel om zijn toekomst veilig te stellen.

Ook wij moeten dat doen. De enige Redder is Jezus.



Vers 6

Van 100 naar 50.

De pachter was heel blij. De pacht werd verlaagd. Hij is de rentmeester daar dankbaar voor.



Vers 7

Van 100 naar 80.

Zo kloppen de pachtbrieven weer. Zo klopt ook de boekhouding weer.



Vers 8

De heer prees hem.

Deze onrechtvaardige stelde zijn toekomst zeker. Hoewel hij hoorde bij de "kinderen vd wereld " was hij een voorbeeld voor de "kinderen vh licht".


In de tijd van Jezus waren de kinderen vd wereld de tollenaars en zondaren. Zij geloofden in Jezus. Zij stelden zo hun toekomst veilig.

Dat deden de " kinderen van het licht", de farizeeërs, niet.



Vers 9

Maak vrienden.

Doe goed met je geld. Wees er beheerder van en niet bezitter. Maak vrienden met je geld. Geef aan de armen. Bouw zo met goud en zilver op het fundament Christus. Wie barmhartig is, zal barmhartigheid ontvangen. Bij het sterven mag je naar de eeuwige woning bij God.


Ontvangen in eeuwige tenten.

De rijke man deed niet goed met zijn geld. Hij werd ook niet door Lazarus welkom geheten.



Vers 10

We moeten ons bezit gebruiken tot eer van God. Dat leidt tot ons welzijn.



Vers 11

Het ware toevertrouwen.

Dat zijn de hemelse goederen.

Die worden alléén aan rechtvaardigen toevertrouwd.



Vers 12

Met de maat waarmee jij meet, zul jij ook gemeten worden.



Vers 13

Haten.

Dat betekent: op de tweede plaats stellen.



Vers 14

Geldgierig.

De farizeeërs voelden zich aangesproken. Zij hadden de Mammon lief.

Maar... dan kun je niet tegelijk God liefhebben. Vers 13.



Vers 15

Wat hoog is onder de mensen.



Vers 16

Vanaf die tijd.

Vanaf de tijd van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van God gepredikt. Het koninkrijk is dichtbij want de Koning is er.

Ook Jezus en de discipelen predikten het koninkrijk van God.

Jezus eerste woorden waren over het koninkrijk en Zijn laatste woorden ook.

Ook Zijn gelijkenissen gingen erover. Ook het Onze Vader gaat erover.

Het koninkrijk wordt geweld aangedaan.

Het koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaan. Geweldenaars rukken het weg.

Veel verwarring over de uitleg.

"Met geweld" (=arpazeo) = iets snel wegnemen.

Dus geweldhebbers, demonische machten, rukken het koninkrijk der hemelen met geweld weg. De farizeeërs staan het koninkrijk met geweld tegen. Ze verblinden de hoorders. Zelf gaan ze het koninkrijk niet binnen en ze verhinderen anderen om binnen te gaan.



Vers 17

Geen tittel valt er vd wet.

Jezus zei dat de wet er was tot op Johannes de Doper (Vers 16), tot op Christus volgens Galaten 3:24-25, maar dat betekent niet dat de wet daarna opzij gezet wordt.

Wel breekt vanaf Jezus de tijd van "geloof" aan.



Vers 18

Overspel.

Waarschijnlijk proberen de farizeeërs Jezus te vangen op Zijn uitspraak dat er géén tittel van de wet valt.

Ze komen dan met een voorbeeld: echtscheiding.

De wet verbiedt het, maar Mozes staat het ook toe. Dus er is volgens de farizeeërs wel iets aan de wet veranderd.



Vers 19

Is dit een gelijkenis?

  1. Er staat nergens dat dit een gelijkenis is.
  2. Bovendien heeft één van de hoofdpersonen een naam: Lazarus.
  3. Ook noemt Jezus een persoon die echt geleefd heeft, Abraham.

In een gelijkenis geeft Jezus de personen nooit een naam.

Dit is waarschijnlijk géén gelijkenis, maar een verhaal dat op waarheid berust.


Een rijke man.

Hij was niet rijk in God.

Hoe had deze man moeten zijn?

Let op, wij horen bij de rijken van de wereld. Klopt jouw leven met de opdracht van Paulus?



Vers 20

Lazarus.

De naam is een vergrieksing van Eleazar = God helpt.



Vers 22

De engelen.

Bij de dood brengen de engelen de individuele gelovige naar de rust.

Bij de opstanding en de opname brengt Jezus de gelovigen persoonlijk naar het vaderhuis.

In de schoot van Abraham.

Niemand van de OT-gelovigen mocht naar de hemel voordat Jezus verzoening had gedaan. Dat deed Jezus ná Zijn opstanding.

Jezus stond op om onze rechtvaardigmaking.

Hij bracht in de hemel met Zijn eigen bloed de verzoening tot stand.

Paulus schrijft in 1 Corinthiërs 15:18 dat de OT-gelovigen verloren zouden zijn, als Jezus niet was opgestaan. Ze waren dus, vóór de opstanding van Jezus, nog niet behouden in de hemel.

Deze gelovigen waren in "Hades" = dodenrijk.

Psalm 89:49 zegt het ook: wie redt zijn ziel van de hades = sheool = dodenrijk. Niemand ontkomt in het OT aan dat dodenrijk.

Daar was ook de rijke man.

Die was niet in de hel = het helse vuur = gehenna, maar hij was in de slechte kant van het dodenrijk. (=Hades)

Abraham en Lazarus waren aan de goede kant. Die goede kant noemt Jezus "paradijs".

Daar mag ook een van de kruiselingen heen als hij sterft. Daar gaat ook Jezus heen. Vandaar verlost Hij alle gelovigen.

In het paradijs zijn we nog niet volledig zalig. We missen daar nog ons verheerlijkte lichaam.

Waar we op hopen, zien we daar reeds. We hebben daar een verwachting van de komende heerlijkheid. We genieten a.h.w. van een prachtig voorspel, maar dat is nog niet het concert zelf. We genieten van de geur, maar dat is nog niet het bruiloftsmaal.


Joodse gedachtenwereld.

"In de schoot van Abraham" betekent dat men aan de maaltijd is. Lazarus ligt nu op een belangrijke plaats.

Een soortgelijke uitdrukking staat in



Vers 23

In de hel.

De rijke was in het dodenrijk, aan de slechte kant.

Lazarus en Abraham waren ook in het dodenrijk, maar aan de goede kant. Die kant noemt Jezus later: het paradijs.

De gelovigen moesten hier wachten totdat Jezus was opgestaan.

Als Jezus niét was opgestaan zouden ook deze gelovigen, die in Christus ontslapen waren, verloren zijn geweest. Ze waren dan nooit vanuit het dodenrijk verlost.

In zijn schoot.

Het doet denken aan een maaltijd. Lazarus ligt aan tafel direct naast Abraham.

Eerst kreeg de rijke man overvloedige maaltijden en Lazarus niets, nú is het omgekeerd.

Zo lag Jezus in de schoot van Zijn Vader.

Zo lag Johannes in de schoot van Jezus.



Vers 24

Hij riep.

Mogelijk is er nog iets van een bewust bestaan van de geest.

In het OT komen we ook zoiets tegen.


De slechte kant van het dodenrijk is een voorportaal van de hel = gehenna, het helse vuur.



Vers 25

Kind van Abraham.

Als je een " kind van Abraham " bent, zoals elke Jood dat is, dan is dat niet genoeg om voor eeuwig gered te zijn.

Ook Johannes de Doper zei tegen de kinderen van Abraham, dat ze vruchten van bekering moesten laten zien.



Vers 27

Een bezorgde rijke man.

Na zijn dood is de rijke man nog bezorgd over zijn vijf broers.


Ook Abraham weet van de dingen op aarde. Hij heeft het over het OT , Mozes en de profeten, die hij nooit kende.

Ook in het OT komen we tegen dat gestorvenen weten van het aardse.



Vers 29

Vreemd?

Abraham leefde ver vóór Mozes en de profeten. Toch noemt hij ze.

De bedoeling van Jezus is, dat het getuigenis van de Schrift (= Mozes en de profeten) veel meer zeggingskracht heeft dan het getuigenis van iemand die uit de doden opstaat.


Luisteren.

Luisteren betekent ook dat je gehoorzaamt.

Een ouder zegt:" Hoor je me? Luister dan ook!

Gehoorzaamheid is hetzelfde als geloof.

Geloven is Gods bevel.

Geloven is ook een bevel van God.

Dat bevel moeten we gehoorzamen.

Ongehoorzaamheid is dus hetzelfde als ongeloof.

Wie "Hem gehoorzamen" , dus in Hem geloven, ontvangen de Heilige Geest volgens

Wie lijdelijk blijft, is ongehoorzaam.



Vers 30

Dan zouden ze zich bekeren.

De farizeeërs geloofden niet in Jezus.

Ze zagen wel 4x dat mensen uit de dood opstonden.

  1. De dochter van Jaïrus.
  2. De jongen uit Naïn.
  3. Lazarus uit Bethanië.
  4. Jezus.

Toch...ze bekeerden zich niet.



Vers 31

Niet te overtuigen.

Zelfs door de opstanding van Jezus werden de farizeeërs niet overtuigd. Heel bewust verspreidden ze een leugen.

Wie zich niet door Gods woord laat overtuigen, laat zich nergens door overtuigen en loopt groot risico op verharding.



<