Hoofdstuk 15


Vers 2

Deze Man eet met zondaren.

In Lukas 14:1 eten de farizeeërs ook met Jezus, hoewel ze Hem voor een zondaar hielden.



Vers 8

Eén penning.

Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider.



Vers 10

Uitverkoren engelen.

Er is een raad van de heiligen in de hemel. (Vgl. Raad van bestuur of raad van state, gemeenteraad )

Die raad bestaat mogelijk uit:

Engelen rondom de troon.

We lezen over zeer grote aantallen engelen die rondom Gods troon staan.

Engelen vóór de troon.

We lezen ook van engelen die vóór de troon staan. Die zien Gods aangezicht, het zijn aangezichtsengelen of aartsengelen. Daar horen bij:

Deze aartsengelen hebben een bevoorrechte positie. Zij verkeren in het binnenste heiligdom van de hemelse tempel waar Gods troon staat.

Jezus noemt de engelen.

Ook Jezus spreekt waarschijnlijk over Gods heilige raad in de hemel.

Als Jezus onze naam bij Zijn Vader noemt, dan zijn ook deze 7 uitverkoren engelen daar getuigen van.



Vers 11

2 zonen.

2 volwassen erfgenamen.



Vers 12

Een dubbel deel voor de oudste zoon.

Ook erfdochters kregen een erfenis.

Geef mij het deel.

Als de zoon straks terugkomt, dan is er voor hem nog een deel van de erfenis over.



Vers 13

Hij reisde weg.

Zijn grootste zonde was het verlaten van zijn vader.


Ver land.

Weg uit Gods land.

Ver weg naar een heidens land. Daar dient men God niet.


Verkwisting en losbandigheid.

Hij leefde voor de lol.

Pluk de dag.

Een leven zonder toezicht van zijn vader en ook zonder God.


Jezus is zo anders.

Ook Jezus verliet Zijn Vader en vertrok naar de zondige wereld. Hij ging echter niet tégen de wil van Zijn Vader, maar om de wil van Zijn Vader te doen.



Vers 14

Hongersnood.

Honger hoort bij de vloek.

God straft met hongersnood, oorlog of uitbraak van ziekten.

De jongste zoon is liever arm en hongerig, dan dat hij terug gaat naar zijn vader.



Vers 15

Bij één van de burgers.

Hij zocht steun bij een heiden.

Hij zoekt steun buiten zijn vader. Wie steun zoekt buiten God pleegt afgoderij.


Die stuurde hem.

De zoon is geen eigen baas meer.


Varkens weiden.

Varkens zijn onrein.

Wie omgaat met het onreine, wordt onrein.



Vers 16

De schillen.

Dat zijn waarschijnlijk de peulen van de Johannesbroodboom.

Dat was veevoer.



Vers 17

Tot zichzelf komen.

Bekering is:

God roept ons op tot bekering.

De zoon en de dagloner.

De jongste zoon beseft dat hij het veel slechter heeft dan de dagloners van zijn vader.


Status van de dagloner.

Een dagloner is een gehuurde arbeider.

Een huurling had in die tijd een lage status en minder zekerheden dan een goed behandelde slaaf.



Vers 18

Gezondigd tegen.

Tegen de hemel.

Joden willen de naam van God niet noemen. Ze zeggen bv. hemel terwijl ze God bedoelen.

Zo spreekt Mattheüs vaak over: koninkrijk der hemelen. Dat is het koninkrijk van God.


Belijdenis van schuld, vergeving die volgt.



Vers 19

Maak mij als één...

Deze laatste regel neemt hij zich voor om te zeggen, maar hij zegt die NIET.

Status van de dagloner.

Een dagloner is een

gehuurde arbeider.

Een huurling had in die tijd een lage status en minder zekerheden dan een goed behandelde slaaf.



Vers 20

Hij ging naar zijn vader.

Dit is een wilsbesluit: hij stond op.

God verbindt daar een belofte aan.

Bekering is dus een daadwerkelijk tot God keren. Het is vergeving vragen en gaan leven met God.


7 liefdeblijken van vader.

  1. Hij keek uit naar zijn zoon. Zijn hart was bij zijn verloren zoon.
  2. Hij is met innerlijke ontferming bewogen.
  3. Hij rent de zoon tegemoet.
  4. Hij omhelst hem.
  5. Hij kust hem.
  6. Hij aanvaardt hem als zijn zoon.
  7. Hij geeft hem van alles om zijn zoonschap te benadrukken.
  8. Hij toont zijn blijdschap. Er wordt feest gevierd.



Vers 21

Ik ben niet meer waard.

De jongste zoon laat hier een stukje weg, van wat hij zich had voorgenomen, om te zeggen.



Vers 22

De vader zei.

Na de schuldbelijdenis volgt geen straf, maar genade.



Vers 24

Mijn zoon was dood.

Geestelijke dood:

Levend geworden.

Hij heeft zich bekeerd.

Hij leeft nu met zijn vader en heeft het oude zondige leven verlaten.



Vers 25

Oudste zoon.



Vers 28

Hij werd boos.

En spoorde hem aan.

Vader wil ook de vrome, netjes oppassende zoon in zijn huis hebben.

God wil niet dat iemand verloren gaat.

Deze gelijkenis had beter kunnen heten:

De liefhebbende vader.



Vers 29

Zie, ik dien..

Hij dient als een knecht. Hij deed het niet uit liefde. Zo deden ook de farizeeërs, ze deden Gods geboden, maar niet uit liefde. Ook zij hadden de Zoon van de Vader niet lief.

De oudste zoon had er ook best iets mee willen verdienen, een bokje.


Met mijn vrienden.

Hij wilde ook wel een feest, maar zónder zijn vader.

Zo leek hij erg op zijn broer, die ook zónder zijn vader wilde feestvieren.



Vers 30

Deze zoon van u.

Hij noemt zijn broer niet eens "mijn broer" en ook niet bij zijn naam.

Hij ziet wel de zonden van de ander en vindt zichzelf zeker beter.


Aanleiding voor deze gelijkenis.

Hier schetst Jezus de aanleiding voor deze gelijkenis. De farizeeërs namen het Jezus hoogst kwalijk dat Hij tollenaren en andere zondaren ontving en met hen at.



Vers 32

Wij.

Wij als totale gezin.


Liefhebben.

Een zondaar die genade ontvangt van de Vader is een rechtvaardige.

Wie de bekeerde zoon niet liefheeft als naaste en broer, heeft ook de Vader niet lief.

Wat is de essentie van de gelijkenis?

  1. De grote liefde van de Vader voor zondaren. Hij wil het behoud van iedereen. 2 Petrus 3:9
  2. Wie "zonder de Vader" wil leven, is niet gelukkig. Beide zonen wilden dat.
  3. Wie zegt dat hij de Vader liefheeft en het kind van de Vader niet liefheeft, is een leugenaar.



<