Hoofdstuk 8


Vers 1

Van de berg.

De berg waar de bergrede was uitgesproken.


Nu worden in hoofdstukken 8 en 9 de krachten van het koninkrijk openbaar in wonderen en tekenen.

Het laat ook zien hoe Jezus is.



Vers 2

Een melaatse kwam.

Voor deze melaatse gaf de wet duidelijke voorschriften.

Knielde neer.

proskuneō wordt gebruikt om vormen van aanbidding aan te geven. De melaatse erkent Jezus als Gods Zoon. Hij noemt Jezus "Heer" (kurios) en niet "rabbi".



Vers 3

Ik wil het.

Met deze opmerking zegt Jezus indirect dat de genezing van Zijn Vader komt.


Raakte hem aan.

De Reine raakt een onreine aan en de onreine wordt rein. Dat was ongekend.

Overal werd juist de reine onrein.

Cultisch onrein.

Niemand beschuldigt Jezus ervan dat Hij, na aanraking van de melaatse, onrein was.

Mogelijk kwam dat doordat de zieke op hetzelfde moment gezond was.



Vers 4

Tegen niemand zeggen.

Deed de genezen man dat?

Naar de priester.

Leviticus 14.

Tot een getuigenis.

"Tot" kan ook vertaald worden met "voor".

Hij offert het voorgeschreven offer en ontvangt dan een soort oorkonde voor de mensen in zijn woonplaats dat hij gezond verklaard is.



Vers 5

Er kwam een hoofdman.

Kwam de centurio zelf?

Lukas zegt dat de hoofdman de Joodse oudsten naar Jezus stuurde.

Het woord "kwam" is eigenlijk te zwak. Het gaat meer naar "aanklampen".



Vers 6

Heere .

Hoogste titel.

Die was voor de keizer of voor God, maar zeker niet voor een rabbi.


Mijn dienaar.

pais betekent niet slaaf. Het woord wijst naar een jong persoon. Het kan zelfs naar een nakomeling verwijzen.

In vers 9 staat doulos. Dat sluit hier de interpretatie slaaf uit.

Maar... Lukas schrijft wél over een slaaf, maar Lukas was géén ooggetuige.

Naastenliefde.

Hier zie je de vrucht van Zijn grote geloof. (vs 10)



Vers 8

Onder mijn dak.

Een Jood zou onrein worden als hij bij een heiden naar binnen ging.

Spreek slechts.

De centurio kent Jezus een goddelijke eigenschap toe.

Bij de schepping "sprak" God en het gebeurde.



Vers 9

Slechts één woord.

De hoofdman weet de uitwerking van een bevel op zijn manschappen.

Veel grotere uitwerking zal het woord van Jezus hebben.

Hij gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Dat was zijn grote geloof.





Vers 10

Groot geloof.

Een groot geloof is niet hetzelfde als een volwassen geloof.



Vers 11

Velen van oost en west.

Dat zijn gelovige heidenen die deel krijgen aan het koninkrijk.

Kinderen van het koninkrijk.

Dat zijn hier de óngelovige Joden die buiten her koninkrijk blijven.



Vers 12

Koningschap van de HEERE.

Het geslacht van David regeerde op aarde over het koninkrijk van de HEERE.

Israëlieten zijn onderdanen van Gods koninkrijk.

Jezus noemt hen "kinderen van het koninkrijk".

Kinderen van het koninkrijk.

Dat zijn hier de ongelovige Israëlieten. Of... zijn dit de zonen waarvoor het koninkrijk der hemelen bestemd was?

In Mattheus 13:37-39 zijn het de gelovigen uit de hele wereld.


Goed en niet goed.

In het koninkrijk van God is tarwe en onkruid, zijn goede vissen en slechte vissen, is zuurdeeg. (Beeld van bederf, zonde)

Wie wedergeboren is, mag het koninkrijk binnengaan. Wie goede vrucht draagt, mag binnengaan.

Buitenste duisternis.

Hiermee wordt de hel bedoeld. Duisternis is hier de tegenstelling van licht. God is licht. De duisternis is dus de afwezigheid van God.


Gejammer en tandengeknars.

Hier staan enkele kwellingen die in de hel plaatsvinden.

  1. Wroeging.
  2. Woede.
  3. Geween.
  4. Tandenknersen.
  5. Eeuwige verbanning. 2 Thessalonicenzen 1:9. Dan is de goddeloze werkelijk God-loos. Hij krijgt wat hij wilde.

Altijd bij satan verkeren is erg, maar een goddeloze zou het nog erger vinden als hij altijd bij God moest zijn. God is Licht, maar in de "buitenste duisternis" is God dus afwezig.



Vers 14

Jezus kwam.

Het was sabbat volgens



Vers 15

Ze diende hen.

De schoonmoeder genas.

De ziekte was weg, maar ook het gevolg, de zwakheid, was weg.



Vers 16

Veel bezetenen.

Bijzonder dat in de tijd van Jezus er zoveel bezetenen waren.

Herkennen wij deze personen tegenwoordig niet goed meer?

Het Griekse woord omvat veel ziekten, ook blindheid, doofheid, stomheid. Maar ook deze ziekten kunnen door demonen veroorzaakt worden.

Boze geesten.

Het woord "boze" is door de vertalers ingevoegd.

In de grondtekst staat: pneumata = geesten, winden. Dit duidt op een vorm van besmetting, alsof de ziekte kwam aangewaaid.



Vers 17

Zwakheden.

Dat zijn onvolkomenheden.


Ziekten gedragen.

Jesaja 53:4 wordt geciteerd.



Vers 18

Overkant.

Hij voer naar de oostkust van het Meer van Galilea.



Vers 19



Vers 20

Jezus volgen.

Zalig worden kost ons niets. Jezus heeft betaald.

Jezus vólgen kost ons alles.

Dat maakt Jezus hier duidelijk.


Geen plaats.

Jezus spreekt niet over Zijn koningschap. Het volk verwerpt Hem. Jezus spreekt over Zijn weg van vernedering. Hij is als een dakloze.

De lijdende Knecht spreekt hier.



Vers 22

Laat de doden.

Laat de geestelijke doden hun doden begraven, dus familieleden die niet in Jezus geloven.

Uitstel.

In Israël werden de doden binnen 24 uur begraven. Dat deze man bij Jezus was, betekent waarschijnlijk dat de vader nog niet dood was, maar dat hij met het volgen van Jezus even wilde wachten, totdat zijn vader overleden was.

Jezus wil geen uitstel. Hij wil op de eerste plaats staan.

Volgens vers 16 was het al tegen de avond. Als de vader gestorven was, dan was hij waarschijnlijk al begraven of had de zoon in het sterfhuis moeten zijn.



Vers 23

Zijn discipelen.

Mogelijk waren er meer scheepjes waarin mensen het schip van Jezus volgden.

Dat zou je kunnen opmaken uit vers 27.

Daar staat "mensen" en niet "discipelen".



Vers 24

Onstuimigheid.

Seismos = heftige beweging, aardbeving, zeebeving of storm.

Deze stormen kunnen ontstaan door grote temperatuursverschillen tussen de Golan (610 m) en de Middellandse zee.

Het Meer van Galilea ligt 212 M onder de zeespiegel.

In Markus 4:37 staat "lailaps"= orkaan, wervelwind. IJskoude valwinden vallen op de warme lucht boven het water.

Lailaps was voor schepelingen vaak dodelijk.



Vers 25

Zijn discipelen.

Waarschijnlijk was Mattheüs er nog niet bij.

Zijn roeping lezen we in



Vers 26

Andere volgorde.

Zie Markus 4 en Lukas 8.


Wat bestrafte Jezus?

Hij bestrafte de wind en de zee.

Achter dit noodweer zaten demonen die het op Zijn ondergang gemunt hadden.

Deze demonen gebruikten storm en golven om Jezus te doden.



Vers 27

Wie is dit?

Psalm 65:8 geeft het antwoord. Dit moet God zijn.


De mensen.



Vers 28

Gergesenen.

De plaats heette Gersa of Geraza en lag N.O. van het meer.

Twee bezetenen.

In Markus 5:2 wordt er één bezetene genoemd. Mattheüs noemt er twee.

Zelfs met een ketting waren ze niet te binden.


Jezus tegemoet.

Hier zie je een innerlijke verdeeldheid. De bezetene gaat om hulp bij Jezus, maar de demonen schreeuwen bang.



Vers 29

Ze riepen..

Markus 5:6 zegt: en aanbad Hem.


Buitengewone kennis.

De bezetene wist wie hij vóór zich had, terwijl hij Jezus nooit eerder ontmoette.

De demonen spreken.


Pijnigen vóór de tijd.

De demonen weten dat er een tijd van oordeel aanstaande is. Ze weten ook dat dit oordeel niet zal zijn in Jezus' dagen op aarde.

Misschien wisten ze ook dat het "eeuwige vuur" juist voor hen bereid was.



Vers 32

Naar de afgrond?

Nooit lezen we dat Jezus een demon naar de afgrond verwees.

Ook van de apostelen lezen we dat nergens.


Van de steilte.

In de tijd van Jezus vielen de varkens direct in het water. Tegenwoordig zou dat niet meer kunnen, omdat de waterstand in het Meer van Galilea veel lager is dan toen.



<