Hoofdstuk 9


Vers 1

In Zijn stad.

Dat was Kapernaüm.



Vers 2

Zoon.

Teknon = kind, afstammeling.

Hij is dus een gelovige.


Hún geloof.

Dat is dus het geloof van 5 mannen.


Vergeving.

De zieke kwam voor genezing. Maar bij dit geloof paste vooral vergeving. Misschien was zonde wel de oorzaak van zijn ziekte. Het uitblijven van genezing was geen teleurstelling. Daarover lezen we niets. De vergeving was de grootste gave. De genezing was toegift.



Vers 3

Ze zeiden bij zichzelf.

Ze reageerden, ieder voor zich. De grondtekst drukt flinke emotie uit.


Godslastering.

Alléén God kan vergeven.



Vers 4

Die hun gedachten zag.

Het "zien" is hier niet gedachten lezen, maar iets opmerken, aandacht hebben voor iets opvallends. Jezus merkt het wel met Zijn geest en niet met Zijn oor.



Vers 5

Wat is makkelijker?

Zondenvergeving kan niemand zien. Het lopen van een verlamde wordt voor ieder zichtbaar.

Jezus gaat Zijn godheid bewijzen.



Vers 6

Zoon des Mensen.

Jezus maakt opnieuw duidelijk wie Hij is. Hij heeft de macht om zonden te vergeven.

Die naam Zoon des Mensen komt uit Daniel 7:13-14.

De schriftgeleerden wisten heel goed over wie het daar ging.



Vers 9

Mattheüs.

= geschenk van God.



Vers 10

Het huis.

"Van Mattheüs" is in HSV toegevoegd.

Het is gebaseerd op Lukas 5:29.


Verbondenheid.

De maaltijd was toen teken van verbondenheid.



Vers 12

Wie gezond zijn.

De gezonde mensen zijn de farizeeërs. Zij hebben Jezus als Heiland niet nodig.


De zieken.

De zieken, de tollenaars, zijn de zondaren.

Jezus kwam om zondaren zalig te maken. Hij is hier dus op het juiste adres.



Vers 13

Ga heen.

In het Grieks staat hier een aoristusvorm. Het betekent: zijnde gegaan.

Dus: de farizeeërs gingen weg.


Zondaren.

Jezus citeert Hosea 6:6. De uitleg van vers 12 geeft Jezus in vers 13. Hij spreekt dan tegen tafelgenoten, want de farizeeërs waren vertrokken.


Het gaat om het hart. Kent u uw hart? Kunt u bestaan voor God door eigengerechtigheid? Of hoort u bij de zieken, die voor God niet kunnen bestaan?

We zijn allen zondaren, maar Jezus heeft het over mensen die weten dat ze zondaar zijn. Zij weten met welke kwaal ze bij God komen.



Vers 14

Johannes.

Johannes de Doper zat in de gevangenis.

De discipelen vastten en treurden hierom.


Vasten.

De wet kent slechts 1 vastendag, de verzoendag. Het 2x per week vasten hoorde bij de farizeeërs.

Uw discipelen niet.

Ou = niet.

Het is een sterke ontkenning.

Dus: uw discipelen helemaal niet.



Vers 15

Bruiloftsgasten.

Letterlijk:

Bruiloftsgasten veronderstelt dat de bruiloft al aanstaande is.

Dat was in Jezus' tijd zeker nog niet zo. Wel waren er voorbereidingen voor de bruiloft door de dienaren. Zij, de discipelen, verkondigen het evangelie. Zij nodigen mensen tot de bruiloft.

De Bruidegom weg.

Dat gebeurt als Jezus gestorven is.

Jezus noemt Zich Bruidegom. De bruid wordt niet genoemd. De bruid, de gemeente, was nog een verborgenheid.

In Mattheus 16:18 gaat Jezus voor het eerst over de gemeente spreken.



Vers 16

Een oud bovenkleed.

Dat staat voor het oude Sinaïtische verbond.

Dat heeft het volk verbroken.


Niet-gekrompen stof.

Dit is een nieuwe lap. Dat staat voor het evangelie dat Jezus verkondigt. Dat moet leiden tot het nieuwe verbond. Dat nieuwe verbond is van hogere orde. Bij het nieuwe verbond staat de wet in het hart geschreven.



Vers 17

Nieuwe wijn.

Nieuwe wijn staat symbool voor een gelovig Israël.

Nieuwe leren zakken staat voor het nieuwe verbond.


Nieuwe wijn heeft sterke gisting. Daar kunnen oude zakken niet tegen. Ze zullen scheuren.

Dus:

Mijn discipelen moeten bij Mijn nieuwe prediking geen oude vormen hebben zoals vasten en treuren.

Het nieuwe verbond kan niet gegoten worden in de vorm van het oude verbond.



Vers 18

Leidinggevende.

In Markus 5:22 is het een overste van de synagoge.

Hij heet Jaïrus.


Zojuist gestorven.

In Markus 5:23 is ze bijna gestorven.

Het Griekse "arti" markeert iets dat begonnen is of net gebeurd is.

Dus: stervende of gestorven.


Maar kom.

Hier staat een aoristusvorm.

Dus:

Zij zal leven.

Hier blijkt het geloof van Jaïrus.



Vers 20

Veronica.

De sage noemt haar Veronica. Met haar hoofddoek zou ze de lijdende Heiland het gezicht hebben afgedroogd en toen bleven Zijn gelaatstrekken erin staan.


Bloedverlies.

Dit betekende onreinheid.

Dus: geen deelname aan het sociale leven.


Zoom van Zijn kleed.

Zoom = kwast.(tsietsiet)

De kwasten zitten aan de vier hoeken van de talliet, de gebedsmantel.

De kwastjes moesten steeds aan de Thora herinneren.



Vers 21

Aanraken.

De vrouw was volgens de wet onrein. Jezus wordt niet onrein, maar de vrouw wordt rein.

Bijzonder toch!


Bovenkleed. Talliet.

Talliet = gebedsmantel.

Daaraan zitten de tsitsiet, de kwastjes, op elke hoek.

In elk kwastje zit één blauwpurperen draad.

Wie de kwastjes ziet, moet aan Gods geboden denken.

Kanafim=hoeken.

In Maleachi 4:2 is "hoeken" vertaald met "vleugels". Onder Zijn vleugels zal genezing zijn.

Deze vrouw gelooft dat Jezus de "Zon der gerechtigheid" is en pakt de hoek van Zijn gebedsmantel, één van Zijn vleugels. Ze vindt genezing.



Vers 22

Door geloof behouden.

Stiekem raakte ze Jezus aan, maar van "een gestolen Jezus" is geen sprake. Het was een geloofsdaad.

Dit geloof bracht haar in een relatie met Jezus.



Vers 23

Begrafenisritueel.

Zelfs een arme huurde 2 fluitspelers en 1 klaagvrouw.



Vers 24

Hij zei.

Het Grieks is aandringend. Hij verzocht hen dringend om weg te gaan.


Het kind slaapt.

Volgens Jezus is het meisje niet dood. Wel keert volgens Lukas 8:55 haar geest terug.


In Jezus' ogen is de dood van gelovigen slechts een slaap. Ze is ontslapen.

Ze is niet zó gestorven, dat ze ook begráven zal worden.


Jezus weet dat de doden in het dodenrijk slapen.

Lachten Hem uit.

Dit laat zien, dat de klaagvrouwen zelf géén verdriet hadden. Alles was uiterlijk vertoon.



Vers 25

Hij ging naar binnen.

Hij nam de ouders en 3 discipelen mee.


Greep haar hand.

Als we ons houden aan de basisbetekenis vh grondwoord, dan staat er: Hij ging naar binnen en greep met kracht haar hand.

Herhaling.

Ruth Pinoko werkte op een zendingspost in Nieuw Guinea.

In een naburig dorp overleed een vrouw.

Ze ging erheen om haar verdriet te tonen.

Ze zei dat de aanwezigen niet moesten huilen. Ze ging tot God bidden en de overledene stond op.



Vers 30

Jezus vermaande.

Het Griekse woord kan betekenen:

Jezus had Zich waarschijnlijk aan hen geërgerd. Daarom sprak Hij hen streng aan.

Niemand mag het weten.

De blinden hadden Hem " Zoon van David" genoemd. Dat moest waarschijnlijk niet doorverteld worden. Jezus vermaant hen streng.

Het koningschap van Jezus moest verborgen blijven totdat het volk zich bekeerde.

Ook na de verheerlijking op de Olijfberg moesten de drie discipelen zwijgen over wat ze gezien en gehoord hadden.

Mozes en Elia hadden, ter bemoediging, met Jezus gesproken over "wat Hij in Jeruzalem zou volbrengen". Ze mochten dus niet spreken over het toekomstige Messiaanse rijk.



Vers 32

Demonen die stom maken



Vers 33

Nooit zoiets gezien.

De uitwerking van dit wonder is tweeërlei.



Vers 34

Aanvoerder van de demonen.

De farizeeërs noemen Gods werk het werk van demonen. Ze noemen Gods Zoon, de overste van de demonen.

In Mattheus 12:24 doen ze dat voor de tweede keer.

Hiermee verwerpen ze de Messias. Hier gaat een wissel om. Voortaan gaat Jezus in gelijkenissen spreken, zodat alleen de discipelen de verborgenheden van het koninkrijk mogen verstaan.


Jaloezie.

De farizeeërs hadden ook duiveluitbanners.

Die konden zulke indrukwekkende wonderen niet doen zoals Jezus hier deed.



Vers 35

Evangelie van het koninkrijk.

Dit evangelie van het koninkrijk predikten de discipelen ook.

Het evangelie van de genade (Handelingen 20:24) is anders. Dat gaat over lijden en sterven en opstanding en verzoening. Dat begrepen ze pas, nadat Jezus was opgestaan.

Het evangelie van het koninkrijk wordt gepredikt als Jezus er is, maar ook nú nog. Het koninkrijk is dichtbij.



<