Hoofdstuk 7


Vers 1

Oordeel niet.

Oordelen = beoordelen zonder liefde.

We beoordelen uit hoogmoed en het is vrijwel altijd negatief.

Onze maatstaf is verkeerd. We zien de buitenkant en niet het hart. We nemen onszelf als maatstaf.

Dus we moeten een ander niet veroordelen, zeker niet lichtvaardig.

Het lichtvaardig oordelen:

Jacobus 4:11-12.



Vers 2

Met welke maat..

Letterlijk:

Jezus doelt dus op de werkelijke beweegredenen van iemand.


Gemeten met dezelfde maat.

Als we zelf onbarmhartig oordelen, zal men over ons ook onbarmhartig oordelen.

God zal ons oordelen naar de maat die we zelf hanteerden.


Voorbeeld.

De farizeeërs brachten een overspelige vrouw bij Jezus. Maar... Jezus ging de farizeeërs meten met hun eigen maatstaf. Zijn jullie zelf onschuldig aan die zonde? Toen verdween de één na de ander.



Vers 3

De splinter.

Letterlijk:

Dus: díé splinter, juist díé.

Dat benadrukt de onbelangrijkheid.


Het oog.

Letterlijk:

Het gaat om één oog.


Het gaat hier over een oog, want in vers 5 staat dat je beter gaat zien als de balk is weggehaald.


In de rabbijnse literatuur komt een vergelijkbare spreuk voor:

Het was dus een bekende Joodse wijze van spreken.


In het oog of in de bron?

Het kan ook vertaald worden met "in de bron".

Dat is logischer. Een balk in jouw oog klinkt niet echt logisch.

De bron levert drinkwater. Dat moet zo zuiver mogelijk blijven. Daar moet je geen hout in gooien.

Bij de buren ligt een splinter in de bron, bij jezelf een balk.

Dus jouw bron wordt meer verontreinigd dan de bron van de buren.



Vers 4

Sterk overdreven beeld.

Het beeld is dus absurd groot om de boodschap te versterken.

Dat overdreven beeld is juist de kracht van de uitspraak.



Vers 5

Huichelaar.

Een toneelspeler. Die droeg een masker. Hij speelde een ander.


Eerst..

Verbeter de wereld en begin bij jezelf.



Vers 6

Geef het heilige niet..

Letterlijk:

Het duidt op offervlees. Het heilige is voor de priesters.


Hét heilige en dé parels.

Jezus bedoelt de heilige zaken van het koninkrijk der hemelen. Die stel je niet ter beschikking aan onheilige personen, dus ongelovigen.

Die zijn de honden en de zwijnen.



Vers 7

Bid.

Aiteõ = vragen.

Vaak is het om een gunst vragen.

Voor "bidden" kent het Grieks een ander woord nl proseuchomai.

NBV21 vertaalt : vraag en..


Letterlijk:

Spreuken 8:17.


Let op.

VdW zegt dat het "constant vragen" niet in de grondtekst staat.


Bidden.

Gebed gaat niet in de eerste instantie om verhoring, het gaat erom dat wíj veranderen en ons meer richten op Hem.


U zal gegeven worden.

Hier staat niet dat God alles geeft wat wij vragen.

We zijn bedelaars en blij met elke gift.

VdW:

In de grondtekst gaat het niet over een gebed, maar over vragen van iets, zoals dat tussen mensen gebeurt. Dat zie je ook aan de verzen 9 en 12.


Welzalig.

Wie zo zoekt, noemt God in Psalm 119:2 welzalig.

Ben je zo'n zoeker? Dan weet je nu hoe God over je denkt.

Je bent Zijn kind!


Het koninkrijk is de context.

VdW:

Als u het vraagt, zal dat koninkrijk u ook gegeven worden. Als u dat zoekt, dan zult u het koninkrijk vinden. Als u klopt, dan zal de deur van dat koninkrijk voor u opengedaan worden.

Want ieder die naar het koninkrijk vraagt, ontvangt Jezus en wie aldus zoekt, die vindt het koninkrijk en wie dan klopt, zal opengedaan worden en zo het koninkrijk mogen ingaan.



Vers 8

Zoeken en vinden.

Het kan ook dat goddeloze mensen eindelijk gaan zoeken naar God, maar zich NIET bekeren. Zij vinden God niet.

Hoe moeten we zoeken?

Zie aantekeningen bij Spreuken 2:1-6.



Vers 11

Goede gaven geven.

Dat goede is de Heilige Geest.



Vers 12

Anders dan ons spreekwoord.

Wij citeren vaak Tobit 4:15. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een ander niet.

Jezus zegt het spreekwoord positief. We moeten dus iets doen. Dat is moeilijk.



Vers 13

Ga binnen.

Hier staat géén gebiedende wijs in de grondtekst.

In het Grieks staat hier een aoristusvorm. Dat stelt voor een actie die in het verleden begon en waarvan het effect zich in het heden uitstrekt.

Beter:

De nauwe poort.

Letterlijk:

Dus: de enige nauwe poort. Er is geen andere nauwe poort, geen andere weg. De nauwe poort is Jezus, de enige Weg.

Waarom "nauw" en "smal"?



Vers 14

Weinigen.

Dit "weinigen" lijkt gesteund te worden door

Het lijkt echter tegengesproken te worden door

De oplossing is waarschijnlijk dat Jezus hier spreekt tot een andere doelgroep dan de gemeente van Christus. Jezus spreekt hier tot Joden.

Die hem vinden.

Dat "vinden" veronderstelt dus een zoekend mens.



Vers 15

Wie horen bij valse profeten?

De bijbel noemt wel kenmerken van valse profeten.

Hoe kun je valse profeten herkennen?



Vers 16

Aan hun vruchten.

Letterlijk:

Het gaat om heel gave vruchten. Het gaat om daden die God behagen.


Eigenbelang is het voornaamste kenmerk van de valse profeet.

Ook aan woorden, werk en levenspraktijk herken je hem.



Vers 17

De boom.

De boom is een beeld van een mens.

Goede bomen zijn mensen die de vrucht van de Geest dragen.



Vers 18

Slechte vruchten.

Dat zijn zonden die groeien en rijp worden.



Vers 19

In het vuur geworpen.

Ballõ = inbrengen.

Die slechte boom wordt in het vuur gebracht.



Vers 21

Heere Heere.

Dit is waarschijnlijk een hebraïsme, dus overgenomen uit het Hebreeuws.

Het Hebreeuws kent géén overtreffende trap, maar schrijft iets dan 2x.


Het kan dus betekenen: Heer der Heren.


Binnengaan.

In Johannes 3:3 noemt Jezus de wedergeboorte als voorwaarde om binnen te gaan in Gods koninkrijk.


De wil van de Vader doen.

Wie de wil van de Vader doet, die gehoorzaamt de Vader en die gelooft dus.

Gehoorzaamheid is hetzelfde als geloof.

Wie gaan binnen in het koninkrijk ?

  1. Wedergeborenen. Johannes 3:5.
  2. Mensen met de juiste gerechtigheid. Mattheus 5:19-21.
  3. Mensen met innerlijke oprechtheid. Mattheus 7:21-23.
  4. Mensen met kinderlijke eenvoud, oprechtheid. Mattheus 18:3-5. Mattheus 5:3. Jesaja 57:15.
  5. Mensen die afzien van materiële belemmeringen. Mattheus 19:23-24.
  6. Noodzaak van geestelijke kracht. Mensen die strijden om in te gaan. Lukas 13:24.
  7. Mensen met volharding. Handelingen 14:22.



Vers 22

Op die dag.

Letterlijk:

Dat doet denken: dé dag des Heeren. Op die dag komt Jezus om te oordelen. Er wordt bepaald wie wel en wie niet het koninkrijk mag binnengaan.

Dat is de dag waarop het koninkrijk op aarde openbaar wordt. Dat is dus bij de wederkomst. Dan wordt Jezus koning over Israël op de troon van David.

Wie zijn deze mensen?

Herinnering.

De opgestane doden herinneren zich hoe hun leven was.



Vers 23

De wetteloosheid.

Jezus komt in heerlijkheid. Hij gaat zitten op de troon van ZIJN heerlijkheid en gaat oordelen.

Dit oordeel van Jezus is ná de grote verdrukking, met de wederkomst.

Tijdens de grote verdrukking heerst de antichrist, de wetteloze.

De volgelingen van de antichrist zijn ook mensen die de wetteloosheid doen. Zij mogen het vrederijk niet binnen.


Ik heb u nooit gekend.

Deze uitdrukking gebruikten rabbijnen om iemand in de ban te doen.


Wij kunnen wel zeggen dat we de koning kennen. We kennen hem van foto's, van tv, van radio.

Maar...kent de koning óns?

Is er ooit een ontmoeting met hem geweest? Kennen we Dé Koning Jezus door een liefdesrelatie?



Vers 24

Deze woorden.

Letterlijk:

Het gaat dus over belangrijke woorden.


Welke woorden precies?

Welk fundament?

Letterlijk:

Dé rots.

Jezus bedoelt Zichzelf, dé Rots.

Levende stenen.

Welke personen worden bedoeld?

Mensen die gehoorzamen!

Gehoorzamen vindt God heel belangrijk.


Wie ongehoorzaam is, ontvangt straf.



Vers 25

Storten.

Het Griekse woord duidt op orkanen.

Dat woord staat niet bij het huis op het zand.

Wie God gaat volgen krijgt zwaardere stormen, maar het levenshuis blijft staan.


Storm, water.

Wat kan bedoeld zijn met storm en water?



Vers 26

Dwaas.

Niet het succes in deze wereld bepaalt ons geluk. Nee, juist het onzichtbare fundament van ons leven is belangrijk.

Vgl. De rijke dwaas in

Voorbeelden.

Men hoorde wel, maar luisterde niet. Daardoor kwam men om.



Vers 27

Water en wind.

Wat kan dat betekenen?

Waarde van ons bouwwerk.



Vers 28

Zijn onderricht.

Letterlijk:

De klemtoon wijst op het bijzondere onderwijs van Jezus.

Hij was een rabbi met gezag.



Vers 29

Gezaghebbend, met kracht.

Jezus sprak niet over regeltjes, niet over : Dit mag niet en dat mag wel.

Hij spreekt niet op grond van traditie, maar Hij spreekt Gods woord.

Het grote verschil met de prediking van de farizeeërs was, dat Jezus sprak door de kracht van de Géést.

Zulke woorden hébben kracht. Jezus sprak met gezag en zo worden oude dingen nieuw.



<