Hoofdstuk 22


Vers 1

Joden genodigd.

In vs 1 t/m 7 worden de Joden uitgenodigd om Jezus te volgen. Velen gaan er niet op in.

In de verzen 8-13 worden anderen genodigd, heidenen.

De breuk tussen koning Jezus en Zijn volk wordt in deze gelijkenis verwoord. Het heil gaat naar de heidenen. De gemeente ontstaat.

Dat was in OT een verborgenheid, een geheimenis, volgens



Vers 2

Koning.

= God de Vader.


Zoon.

= Jezus.


De bruiloftsgasten.

Het gaat hier niet over de bruiloft van het Lam.

Het gaat hier over de toegang tot het koninkrijk van God.

De Joden weigeren. Heidenen worden in hun plaats genodigd.

Het gaat niet over de gemeente als bruiloftsgasten. De gemeente is de bruid. De bruid wordt niet op haar eigen bruiloft uitgenodigd.



Vers 3

Waar was de bruiloft?

In het huis van de Vader.


Genodigden.

Dat zijn de Joden. De Joden zijn dus niet de "bruid" van de Zoon.



Vers 4

Verwerping.

De Joden kregen in de Messias Jezus het Messiaanse rijk aangeboden.

Ze verwerpen Hem.

Dan wordt ook het Messiaanse rijk voor hen uitgesteld, tot het moment dat ze Hem, Jezus, zullen erkennen. Dat gebeurt als Jezus wederkomt.



Vers 7

Stuurde legers.

Voorzegging van de verwoesting van Jeruzalem.

Romeinse legers heten nú ZIJN legers.

Dat was anders in

Toen was Israël Gods leger.


Hun stad.

Jeruzalem.



Vers 10

Slechten en goeden.

Ieder wordt tot de bruiloft genodigd.

Echter... de slechten, mensen die ongelovig blijven, worden buiten gesloten.



Vers 11

Geen bruiloftskleed.

We kunnen niet deelnemen met onze eigen kleding. We moeten bekleed zijn met de mantel van de gerechtigheid en met de klederen van het heil.



Vers 14

Veel en weinig.

De koning had veel mensen genodigd. Velen zijn geroepen. Heel Israël was geroepen. Velen kwamen niet, onwil. Degenen die wél komen en geloven heten hier "uitverkoren". Vergeleken met de groep die geroepen was, zijn de laatsten weinig.


Velen = heel Israël.

Weinigen = Joden die Jezus geloofden en toegelaten worden tot de bruiloft.


Weinigen.

Dit "weinigen" lijkt gesteund te worden door

Het lijkt echter tegengesproken te worden door

De oplossing is waarschijnlijk dat Jezus hier en in de Bergrede, spreekt tot een andere doelgroep dan de gemeente van Christus. Jezus spreekt hier tot Joden.



Vers 16

Herodianen.

Dat is een pro-Romeinse groep, aanhangers van de Herodessen.



Vers 19

Belastingmunt.

Een denarius met daarop keizer Tiberius. Daarop stond de tekst (afgekort):



Vers 21

Geef aan de keizer...

Nooit ontslaat de dienst aan God ons van de belastingplicht.

Onze geest is van God en aan God moeten we onze geest toewijden.

In Lukas 23:2 klinkt de valse beschuldiging dat Jezus verbiedt om aan de keizer schatting te betalen.



Vers 23

Sadduceeën.

Wát is het probleem?

Vers 29 zegt:

Dat is misschien wel het echte probleem van deze geschiedenis.



Vers 24

Leviraatshuwelijk.

In het huidige Israël is geen leviraatshuwelijk meer mogelijk.



Vers 25

Géén nageslacht.

Een overledene kon voortleven in een door zijn broer verwekt kind.

Dat is niet nodig. Als God ons levend maakte, dan leven we eeuwig. Zo is God een God van de levenden.

Als God zegt:" Ik ben jouw God", dan heb je eeuwig leven. God is een God van levenden.



Vers 28

In de opstanding...

Zelf geloofden de Sadduceeën NIET in de opstanding. Ze willen Jezus klem zetten.



Vers 30

Als engelen van God.

Misschien is het voor engelen niet per definitie onmogelijk om te huwen, maar wordt hier gesteld dat het niet tot hun ordening behoort of binnen hun grenzen valt.



Vers 31

Opstanding in de Thora.

De Sadduceeën lazen in de Thora niets over opstanding, maar Jezus leest er wel iets over. Daarom zegt Hij dat zij dwalen.



Vers 32

Ik ben de God van Abraham.

God zegt "Ik bén de God" en NIET "Ik wás de God".

Jezus zegt dus: de aartsvaders leven nog. Hoewel ze gestorven zijn, leven ze toch, want ze hebben eeuwig leven ontvangen. God is een God van de levenden.


Boeken van Mozes.

De Sadduceeën vonden de Thora de héle bijbel.

Jezus komt hen tegemoet.

Hij bewijst uit de Thora.

God zegt: Ik ben de God van Abraham.

Abraham is dus nog steeds een levende.

Dus... er is leven ná de dood.

Een God van de doden.

Als je alleen maar bezig bent met discussie over belangrijke dingen, zoals bijbelvertalingen, doop, regeltjes enz. dan gaat het alleen over dít leven.

Dan ben je als een Sadduceeër. Dan heb je geen zicht op leven ná de dood.

Als je dat wel ziet, heb je de God van de levenden.

Dan ken je de bijbel.

U dwaalt dus erg.

Als je niet gelooft dat je eeuwig leven hebt, ben je een Sadduceeër.

Dan dwaal je erg!

Als je God kent en in Zijn Zoon gelooft, dan héb je eeuwig leven. Nu al!



Vers 33

Ze stonden versteld.

De menigte hoorde een totaal nieuwe uitleg, die met veel gezag werd gebracht.



Vers 36

Grote gebod.

De schriftgeleerden onderscheidden in belangrijke en minder belangrijke geboden. Het houden vd belangrijke geboden, was belangrijk om het eeuwige leven te beërven.

Hillel noemde "liefde" tot het grootste gebod.



Vers 37

Jezus antwoordt.

Jezus citeert Deuteronomium 6:5

Ongeloof wantrouwt Gods liefde.



Vers 39

Jezus' 2e antwoord.

Jezus citeert Leviticus 19:18.

Dat verbiedt ook om wraak en wrok te koesteren. Dat kan blijken uit het stellen van strikvragen. Jezus legt met Zijn antwoord tegelijk hun hart bloot. Zij verzochten Hem, volgens vers 35. Zij zinnen op wraak.



Vers 44

De Heere.

In Psalm 110:1 staat HEERE. Dat is God de Vader, JHWH.

Het 2e Heere = de Zoon van God.

Grondwoord is kurios. Zo werden ook Paulus en Silas aangesproken door de cipier.

Jezus is de eerste die ps 110 Messiaans maakt.

Dat doet Hij opnieuw vóór Kajafas.


Rabbijnen.

Zij willen deze Psalm NIET toepassen op Jezus.

Ze passen de psalm toe op Simon uit de Makkabeeën. Die was een levitische priester en ook koning.

Toen Jezus aan de farizeeërs over deze psalm een vraag stelde waren ze in verwarring, want Simon de Makkabeeër was géén zoon van David.

Zo zou de aardse koning Simon de Makkabeeër ook aan de rechterhand van God kunnen zitten. Men meent dat God ook in de tweede tempel was. Daar lezen we niets over en daar was ook géén ark, de troon van God op aarde. Dus...Simon kon niet naast God op de troon zitten.

God is wel uit de tempel van Salomo vertrokken.

We lezen nergens dat God terugkeerde in de tweede tempel. We lezen wel dat God in de eindtijd zal terugkeren in de tempel die Ezechiël beschrijft, de derde tempel.



Vers 46

Niemand kon Hem antwoorden.

De rabbijnen willen deze psalm NIET toepassen op Jezus.

Ze passen de psalm toe op Simon uit de Makkabeeën. Die was een levitische priester en ook koning.

Toen Jezus aan de farizeeërs over deze psalm een vraag stelde waren ze in verwarring, want Simon de Makkabeeër was géén zoon van David.


Vanaf die dag.

Dit gebeurde 2 dagen vóór Jezus' dood.



<