Hoofdstuk 13


Vers 2

12 verspieders.

  1. Allemaal leiders.
  2. Allemaal slaven geweest.
  3. Allemaal Gods wonderen gezien.
  4. Allemaal door de zee gegaan.
  5. Allemaal in het beloofde land gelopen.
  6. Allemaal deelgenoot van dezelfde beloften van God.

Toch: verschillende conclusies.


In Jozua en Kaleb was een "andere geest", een andere gerichtheid. Zij hielden vast aan Gods beloften.

In Deuteronomium 1:22 is het Israël dat om het uitsturen vd verspieders vraagt. Hier geeft God de opdracht.



Vers 6

Kaleb.

Hij was toen 40 jaar.

Jozua 14:7.

In hem was een andere Geest, volgens Numeri 14:24.



Vers 8

Hosea.

Dit is Jozua. Hij bracht later Israël in Kanaän.

Hosea = Heere redt.

Jozua = Jaweh redt.



Vers 21

Rehob.

Dat is een plaats in het noorden, vlak bij de stad Dan.



Vers 22

Amos 2:9.



Vers 24

Dal Eskol.

= druivensap.

Nog vindt men daar trossen van 4 tot 6 kg.

De druiven benaderen de grootte van pruimen.



Vers 29

In het zuiderland.

Met de Amalekieten had Israël al eerder gevochten o.l.v. Jozua.

Zuiderland is hier de Negev.



Vers 30

Kaleb.

In Kaleb was een andere Geest. Numeri 14:24.

Hij vertrouwde op Gods beloften.

Hij dacht ook zeker terug aan de overwinning op de Amalekieten.



Vers 32

Kwaad gerucht.

Ze gaan alles nog weer overdrijven.

Ongeloof rekent niet met God.


Inwoners verslindt.

De meningen zijn verdeeld over de betekenis.



Vers 33

Reuzen.

Grondwoord: nephilim = gevallenen.

Ook vóór de zondvloed waren er reuzen, geweldenaars. Dat waren ook nephilim. God roeide hen uit. Zij waren nakomelingen van vrouwen en "zonen van God". Die laatsten ziet men wel als demonen.

Hebben de demonen dit opnieuw gedaan om te voorkomen dat Israël het beloofde land in bezit zou krijgen?



<