Hoofdstuk 2


Vers 1

Onderzoek uzelf.

Onderzoek uzelf en ontdek hoeveel zonden u deed tegen God.

Doe dat onderzoek snel, voordat God het besluit om te straffen gaat uitvoeren.

Snel... een dag is zo voorbij.


Zonder verlangen.

De godsdienst van de Joden bestaat uit veel rituelen, maar gaat het om God?



Vers 2

Dag vd toorn.



Vers 3

Misschien zult u dan verborgen worden.

Misschien betekent: alléén dan.



Vers 4

Filistijnse steden.

Gath wordt hier niet meer genoemd. Die stad was al door Assyrië verwoest in 711.

Gaza zal verlaten worden.

De profeet wijst erop dat het oordeel ook aan de Filistijnen voltrokken zal worden. Ze moeten zich dit ter harte nemen. Ze moeten zich snel bekeren.

7 Oktober 2023 brak de oorlog met Hamas uit. Israël treedt op tegen Gaza. Het zal niet meer zijn zoals het was. God maakt een begin en het zal voortgaan.



Vers 5

Kretenzers.

Rond 1200 v C. kwamen de Filistijnen uit Kreta naar de "Gazastrook".

Geen inwoner meer over.

Als de 70 jarige ballingschap van Juda voorbij is, dan is er toch nog een overblijfsel van Israël.

Toch blijven er ook Filistijnen over, want Jonathan de Makkabeeër onderwerpt de Filistijnse steden. Dat duurde tot de Romeinse tijd.



Vers 6

Het wordt tot weidegebied.

In het Filistijnse land lagen eerst steden. Na de verwoesting door Nebukadnezar verandert dat in weidegebied en wildernis.



Vers 7

Gazastrook.

God geeft de Gazastrook aan Israël, nadat ze uit de volken is teruggekomen.


Plein in Askelon.

Deze tekst staat nu in een steen op het plein in Askelon.



Vers 8

Moab en Ammon.

Eigenlijk broedervolken.

Hét waren nakomelingen van Lot, de neef van Abraham.

Ze gedroegen zich in de geschiedenis vijandig tegen Israël.

Justinus de Martelaar noemt de Ammonieten nog talrijk.

Ze zijn opgegaan in de Nabateeërs.


Verheven hebben tegen hun gebied.

Ammon voerde oorlog tegen Israël.



Vers 9

Toch is er hoop.

Mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.



Vers 10

Dit overkomt hun.

Hun = Moab en Ammon.


Nebukadnezar onderwierp hen en voerde hen weg.

Koning Kores liet hen vrij.

Als volken bestonden ze eigenlijk niet verder.



Vers 11

Alle goden, alle heidenvolken.

Als dit in vervulling gaat, dan is dat na de wederkomst van Jezus.

Dan wordt de aarde vol van de kennis des Heeren.



Vers 12

Cusjieten.

Ethiopië en Egypte vormden toen 1 rijk.


Mijn zwaard.

God legt Zijn zwaard in de handen van Nebukadnezar.



Vers 13

Nineve.

Die stad valt in 612 v C.

Nu is het een ruïne bij Mosoel.

De hoofdstad die zo trots was op haar kostbare rivieren, zal zo droog als een woestijn worden. De levendige stad wordt een onbewoonbare plaats, overgenomen door wilde dieren.



Vers 15



<