Hoofdstuk 2


Vers 1

De verstrooier.

Dat is Nabopolassar, de koning van Babel. Hij regeerde van 625 -605. Hij veroverde Ninevé in 612.

Hij deed dat samen met Medië waar koning Cyaxares regeerde.


Bewaak de vesting.

Assyriërs, bewaak Ninevé. Doe goed je best.



Vers 2

De glorie van Jakob.

Deze uitdrukking komen we ook tegen in

Mogelijk betekent het in Nahum 2:2 dat God voor Zijn eer gaat zorgen. Hij straft de Assyriërs die Zijn land plunderden.



Vers 3

Het schild van zijn helden.

Het gaat over het leger van Nabopolassar.



Vers 4

Strijdwagens.

Waarschijnlijk gaat het ook hier over snelle strijdwagens van Nabopolassar.

Maar... ook Assyrië had strijdwagens volgens vers 13.



Vers 5

Hij denkt aan zijn machtigen.

De Assyrische koning denkt aan zijn sterke soldaten.


Het stormdak.

De Babyloniërs bouwen een stormdak waaronder ze veilig de stadsmuur kunnen benaderen.



Vers 6

De poorten van de rivieren.

Ninevé ligt aan de Tigris.

God liet tijdens de belegering de Tigris overstromen. Door het water verzwakte de stadswallen. De waterpoorten konden opengerammeid worden.



Vers 7

Zij wordt ontbloot.

Ninevé zal worden ingenomen. De inwoners worden weggevoerd en klagen en zuchten over de ondergang van de hoofdstad.



Vers 8

Als een watervijver.

De vijver is vol water, vol vis.

Zo is Ninevé vol mensen, maar nu loopt de stad leeg.



Vers 11

Leeuwen.

In Assyrische gedenktekens komen heel vaak leeuwen voor. Assyrië wordt hier met een leeuwin vergeleken.



<