Hoofdstuk 8


Vers 1

Zomervruchten.



Vers 2

Einde.

Het Hebreeuwse woord voor ‘einde’ klinkt als het woord voor ‘zomervruchten’.

Dus:

God stelt de straf niet langer uit.

Waarom overkomt dit Israël?

Dat staat samengevat in



Vers 3

Tempelliederen.

Nergens wordt het heiligdom in Bethel een tempel genoemd.

Het gaat hier over de tempel in Jeruzalem.

Mogelijk luiden de klaagzangen in de tempel toch de ondergang van het 10-stammenrijk in.


Klagend klinken.

De tempelliederen gaan over in gehuil om al het leed.


Overal lijken.

Salmaneser V zal koning Hosea verpletterend verslaan. Samaria wordt belegerd en ingenomen.

De vele doden kunnen niet meer volgens de voorschriften worden begraven. Ze worden zwijgend weggeworpen.


NBV.



Vers 4

U.

Dat zijn de machtige regenten en de groten in het land.


Vertrapt.

Letterlijk: opslokt.


Van het land wegdoen.

We kunnen ook vertalen:

De armen wordt hun land of hun werk ontnomen.



Vers 5

Dag vd nieuwe maan.

Op deze feestdag mocht niet gewerkt worden. Ook op de sabbat moest men rusten. De handelaren zien dit als verloren dagen. Ze willen zich verrijken.


Graan kunnen verkopen.

Shâbar =

Het gaat dus om handeldrijven met graan.


Een efa.

Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter.


Sikkel.

13 gram zilver.


Oneerlijk in de handel.

Er werd dus oneerlijk gehandeld. De inhoudsmaat was kleiner, de weegschaal waarop het zilver werd gewogen gaf onzuiver aan.



Vers 6

U koopt de geringen.

De rijken maken door hun oneerlijke handel de armen nog armer. De arme moet zich zelfs als slaaf verkopen.

Maar... ook voor de koop van een slaaf waren regels.

Het kaf wordt verkocht.

Misschien als brandstof, waardeloze brandstof. De arme kon niet meer betalen.



Vers 7

Jakob.

Dit volk is de verbondsnaam Israël niet meer waard. Het Sinaïtische verbond met God is door ontrouw van Israël verbroken.


Glorie van Jakob.

Dat is de "heerlijkheid van Jakob", dat is God zelf.

God zweert bij Zichzelf dat Hij dit onrecht zeker vergelden zal.


Deze uitdrukking staat ook in



Vers 8

Stijgt als de Nijl.

De waterspiegel van de rivier stijgt. Het land overstroomt en verdwijnt onder water. Er komt vruchtbaar slib op het land.

Dit is een beeld van Israël in de tijd van Saul, David, en Salomo.

Waarschijnlijk ook het beeld in de tijd van voorspoed onder Jerobeam II.


Het waterpeil daalt.

Hier gaat het over de rivier van Egypte. Dat is niet de Nijl, maar de wadi die de grens met Juda vormde, in het zuiden van de Negev.

Als de wadi zonder water kwam, dan was het een droge woestijn.

Als God dit beeld gebruikt, betekent dat rampspoed.



Vers 9

Op klaarlichte dag wordt het duister.

Als het economisch goed gaat met het volk, komt er opeens een omkeer. Er komt ellende, de duisternis. Steden worden veroverd en in brand gestoken. De zon gaat schuil achter de rookwolken.


In Mattheus 24:29 spreekt Jezus erover in Zijn rede over de eindtijd.

19 mei 1780 gebeurde dit letterlijk in USA en Canada (New England).

Die dag wordt nu nog steeds "New England's Dark Day" genoemd.



Vers 10

Kaalheid.

Men schoor, naar heidens voorbeeld, het hoofdhaar af als teken van groot verdriet.

Dit kaalscheren was verboden in de Thora.

Het was een heidens gebruik en laat zien hoever Israël was afgedwaald van God.


Rouw over een enig kind.

Als de eniggeborene stierf, dan was de geslachtslijn afgebroken.

Dat was vreselijk.



Vers 11

Honger naar Gods woord.

Na veel ellende wil men dan een profeet van God horen. Dit is een periode van godsverduistering. Er is ook grote geestelijke nood.



Vers 12

Zoeken en niet vinden.

Het kan ook dat goddeloze mensen eindelijk gaan zoeken naar God, maar zich NIET bekeren. Zij vinden God dan niet.



Vers 13

Versmachten van dorst.

Wie niet wil luisteren naar God en weigert zich te bekeren, wordt aan verharding overgegeven. God luistert dan ook niet meer.



Vers 14

De schuld van Samaria.

De naam Samaria staat nu voor het hele10-stammenrijk. De schuld van alle ellende van deze 10 stammen ligt in de kalverendienst. Eén van de kalveren stond in Dan.

Het volk zweert dus bij deze afgoden.

Berseba.

Men maakt een pelgrimsreis naar een heiligdom in Berseba. Dat is géén heiligdom van God. Aartsvaders werden daar vereerd.



<