Hoofdstuk 6


Vers 1

Sion en Samaria.

Amos spreekt nu over 2 hoofdsteden.

Sion is Jeruzalem.

De edelen voelen zich veilig in de hoofdsteden.

Amos zegt: "Ga eens elders kijken."


Ook Juda zal door God verlaten worden.

Juda verliet God. Dan verlaat God ook Juda.



Vers 2

Kijk om je heen.

Allemaal verwoest door Assyrië.

Straks is het de beurt voor Samaria.

Ook Jeruzalem wordt in de tijd van Hizkia omsingeld door Assyriërs.


Zijn ze beter?

Zijn uw hoofdsteden beter?

Anders:



Vers 3

Onheilsdag ver weg?

Ze denken dat de dag van Gods wraak ver weg is.

Door hun zonden brengen ze het onheil juist snel dichterbij.


De zetel van het geweld...



Vers 4

De verzen 4-6.

In deze verzen schets Amos de decadente maatschappij en het liederlijke leven vol verspilling. Ze luieren, hangen wat rond, eten en drinken veel.


Bedden van ivoor.

Ze leven in de weelde, maar hebben geen oog voor het dreigende gevaar vanuit Assyrië.



Vers 5

Muziekinstrumenten.

Ze bedenken voor zichzelf muziekinstrumenten, dat is als vertaling niet erg waarschijnlijk, maar het staat wel zo in de grondtekst. Een kleine, voor de handliggende, overschrijffout kan gemaakt zijn. Er had kunnen staan:

De meeste bijbeluitleggers steunen dat. Bij hoge uitzondering gaat zelfs Gert A. van de Weerd daarin mee.


Vrolijk gezang.

Ze zingen wel, maar niet tot eer van God.

Mogelijk gebruiken ze melodieën van David om hun eigengemaakte liederen te zingen.

Ze menen dat ze op dezelfde manier bezig zijn als David.

God denkt daar anders over.



Vers 6

Wijn uit sprengbekkens.

Ze drinken uit schalen, dus grote hoeveelheden.

Ze moesten veel belasting betalen aan Assyrië,

maar ze bekommeren zich niet over de ondergang van het 10- stammenrijk.

De toestand van Israël was ernstig.

De beste olie.

De eerste opbrengst van een gewas moest men bij de priesters brengen.

In Dan en Bethel waren géén priesters van Levi.

Jozef.

Jozef was de vader van Efraïm en Manasse en dat waren 2 grote leidende stammen in het 10-stammenrijk.



Vers 7

Zij als eersten.

De rijken worden het eerst in gevangenschap gevoerd.


Het feest is voorbij.

Het grondwoord voor "feest" is mirzach.

Dit woord komt verder nergens in de bijbel voor. De echte betekenis was lang onbekend.

Dankzij recent ontdekte boekrollen is er duidelijkheid. Het heeft te maken met rituele begrafenisgebruiken.

De profeet Amos gebruikt dit vreemde woord voor de feesten van de rijken. Feesten die hun einde inluiden.



Vers 8

Amos heeft zowel Jeruzalem als Samaria op het oog.

Glorie van Jakob.

In de SV staat: hoogmoed van Jakob.

Het is "trots" maar nu in negatieve zin: arrogantie.


Jakob.

Hier wordt niet de verbondsnaam Israël gebruikt. Dat is veelzeggend. Het Sinaïtische verbond, het huwelijksverbond, is verbroken.


Ik zal de stad uitleveren.

îyr =

Hier ontbreekt het lidwoord en dan pleit dat voor "elke stad".



Vers 9

10 mannen overgebleven.

Die 10 mannen zijn ontsnapt aan de Assyriërs. Maar... daarmee zijn ze nog niet gered.

Ze sterven door ziekte of honger.



Vers 10

Doden verbranden.

Lijkverbranding doen de Joden niet, maar in deze noodsituatie gebeurt het wel.

Verbranden omdat er zoveel doden waren en er besmettelijke ziekten uitbraken.

Stil.

Het waren dus goddelozen.



Vers 11

Het grote huis.

Het grote huis wordt in stukken geslagen.

Ook het kleine huis wordt een puinhoop.



Vers 12

Twee vragen.

Het antwoord op de vragen is: nee.

Evenmin kan uit goddeloosheid iets voortkomen dat Gods toorn afkeert.


Gal.

Gal is onjuist.

Hier staat de naam van een giftige plant.

Gifkruid is een goede vertaling.



Vers 13

Lodebar.

De naam van de plaats (2 Samuel 9:4) betekent:

Het is dus beter om hier het woord te vertálen dan om het Hebreeuws te vocaliseren.

Men verheugt zich dus over onbelangrijke daden, dingen van niks.


Karnaïm.

De naam van de plaats betekent: hoorns.

Een hoorn is een beeld van macht. Dus Israël voelt zich sterk, want

Jerobeam II nam Hamath in.



Vers 14

Lebo-Hamath.

Deze plaats ligt ver in het noorden.


Beekdal van de vlakte.

Een beek ver in het zuiden van de Negev, bij Berseba.



<