Luister naar dít woord.
Het Hebreeuws vraagt extra aandacht: dít speciale woord.
Het hele geslacht.
Amos spreekt dus tot zowel het 2-stammenrijk als het 10-stammenrijk.
Oordeel op een verschillend tijdstip.
Het oordeel over Juda komt meer dan 100 jaar later dan de ondergang van het 10 - stammenrijk.
Dat komt door 2 godvrezende koningen:
Alléén u.
Exodus 19:5 noemt Israël Gods persoonlijk eigendom.
Israël is de vrouw van God.
Waarom koos God Israël?
Daarom zal Ik u vergelden.
Israël had een zeer bevoorrechte positie op aarde. Israël was Gods eerstgeboren zoon.
Deze bevoorrechte positie maakt de verantwoordelijkheid van Israël heel groot.
VdW:
Samengaan.
God en Israël waren bij Sinaï "gehuwd".
Daar is het huwelijksverbond gesloten. Maar... Israël was ontrouw. De wegen gingen uiteen.
Om samen op te trekken moet er overeenstemming zijn.
Retorische vragen.
Een jagende leeuw besluipt de prooi, maar laat zich niet horen.
Een jonge leeuw die prooi heeft, gromt naar de anderen om hem met rust te laten.
Strekking van de boodschap.
Hoe kúnnen jullie denken dat dit zondige gedrag zonder gevolg zal zijn?
Oorzaak en gevolg.
Er is altijd oorzaak en gevolg.
Israël lokt door de zonden Gods reactie uit.
De bazuin.
= de sjofar.
Komt er een kwaad in de stad......?
"Kwaad" heeft hier de betekenis van grote zonde. Israël deed dat kwaad was in de ogen van God.
God zal zeker op dit kwaad, de zonde, reageren.
Zonder dat de HEERE dat doet.
âsâh =
Betere vertaling: een vraagzin.
Opnieuw een retorische vraag.
Ook hier stelt Amos dus een retorische vraag, zoals in de vorige verzen.
God veroorzaakt het kwaad niet. God reageert wel op dat kwaad.(=zonde)
De profeten weten het geheimenis.
Een geheimenis is iets wat van tevoren nog onbekend was. De profeet mag het weten.
Gods besluit staat vast. Hij gaat straffen.
Maar die straf komt niet onverwacht.
God openbaart aan Zijn profeten wat Hij zal gaan doen en zij mogen die straf aankondigen, in de hoop dat Israël zich bekeert.
Abraham was ook een profeet.
Veracht de profetieën niet.
God waarschuwt vóór het oordeel.
De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen?
Vergelijk dit met vers 4, dan moet de brullende leeuw nú wél een prooi hebben. De mensen zijn in angst. Is hun kind die prooi?
Gesproken...profeteren.
God heeft tegen Amos gesproken, het geheimenis bekend gemaakt. Amos moet nu profeteren in Gods naam.
Asdod en Egypte.
Amos ziet nu de vervulling van het oordeel door Assyrië. Hij roept Asdod en Egypte op als getuigen.
Grote verwarring.
Het gaat over grote paniek die optreedt bij een totale nederlaag in een veldslag. Het gaat hier over de inname van de hoofdstad Samaria.
Mozes had dit al voorzegd.
Alle verdrukking.
Het gaat over meedogenloze terreur.
Zij weten niet recht te doen.
Dat zijn de Israëlieten van het 10-stammenrijk.
Samaria is de hoofdstad.
Dit is een korte aanklacht.
Het recht speelt geen rol van betekenis.
Geweld en uitbuiting zijn aan de orde van de dag.
God brult als een leeuw.
De prooi is Samaria. God stuurt vijanden om Samaria in te nemen. De Assyriërs zullen het 10-stammenrijk wegvoeren in ballingschap, 722 v C.
Voor het 2-stammenrijk is Nebukadnezar de vijand die een eind maakt aan de staat.
Twee pootjes gered.
De herder redt 2 pootjes van zijn verscheurde schaap.
Het dier is dood. Wat gered is stelt niets voor.
Zo zal het gaan met de Israëlieten, vooral met de rijken. Bijna niemand wordt gered.
Op het kussen...
Moeilijk te vertalen. Er staat een woord dat op Damaskus lijkt.
Het is aannemelijk dat het om divans gaat waarop damast ligt.
Damast is een stof die in Damaskus werd gemaakt.
Het gaat om rijke mensen, waarvan er nauwelijks één gered wordt.
Luister.
Israël moet luisteren naar wat Amos in vers 12 zei.
Jakob.
De waarschuwing van God betreft het totale volk, de twaalf stammen van Jakob.
Overtreding.
Eigenlijk rebellie.
Een bewuste afval van God.
Israël.
Dat is het 10-stammenrijk.
Altaren van Bethel.
In Bethel en Dan had koning Jerobeam I gouden kalveren.
Deze afgodendienst zag God als grote zonde. Daarvoor komt nu een definitieve straf.
Het definitieve einde is als koning Josia de verwoesting voltrekt.
Het heiligdom in Dan bleef nog bestaan totdat Nebukadnezar het verwoest tijdens een veldtocht tegen Juda.
De hoorns zijn afgehakt.
Als iemand niet opzettelijk bloed had vergoten, dan kon hij de hoorns van het altaar grijpen. Het was een toevluchtsoord.
Die mogelijkheid om aan Gods oordeel te ontkomen, bestond voor Israël niet meer. Israël had opzettelijk gezondigd.
Winterverblijf en zomerverblijf.
Rijkdom zal niet redden.
Waarom overkomt dit Israël?
Dat staat samengevat in