Hoofdstuk 9


Vers 1

Wees niet blij.

"Blij zijn" is hier eigenlijk "uit je dak gaan". De dorsvloer was vaak gemeenschappelijk bezit. Daar feestte men na de oogst, daar was ook het trefpunt van ontucht.



Vers 2

Rampen komen.

Deuteronomium 28:49-51 gaat in vervulling.



Vers 3

Gods land.

Weg uit Gods land.

Een klein deel van Israël ontsnapt aan Assyrië. Dat deel vlucht naar bondgenoot Egypte.

Maar vluchteling en balling kunnen niet meer koosjer eten. Bovendien wisten veel Israëlieten daar nauwelijks nog van. Priesters en Levieten waren naar Juda gevlucht.

VdW vertaalt positiever.

VdW: ...maar Efraïm zal terugkeren. (Hoop voor de toekomst) In Egypte en Assyrië zullen ze het onreine eten. (Dit is hun straf en gebeurt vóór hun terugkeer)



Vers 4

Brood voor rouwenden.

VdW: voedsel der ongerechtigheid.


4b en 4c

VdW: want voor Hem is het voedsel van ongerechtigheid. Een ieder die het eet zal onrein worden, omdat hun voedsel voor henzelf is. Hij zal het huis van Jahweh niet binnengaan.


De vluchtelingen die naar Egypte gingen, eten onrein voedsel. Ze mogen, als onreinen, niet naar het huis van Jahweh. De tempel was er nog wel.

Dat eten van onrein voedsel was loon voor hun ongerechtigheid.



Vers 5

Ook geen deelname aan Gods feesten.

Wie onrein was, mocht ook niet deelnemen aan Gods feesten.



Vers 6

Memfis.

Memfis is de hoofdstad van Neder-Egypte.

De vluchtelingen zullen in Egypte begraven worden.

Ze woonden in tentenkampen. Ze werden geïnterneerd. Distels en doorns groeiden er veel, dus veel ongemak.



Vers 7

Vergelding of afrekening.

Gods gerechtigheid eist genoegdoening. God straft.


De profeet is dwaas.

Alles wat hun eigen valse profeten voorspeld hadden, blijkt niet vervuld te worden. Die valse profeten blijken dwazen te zijn.

Ook de profeet Hosea wordt door het volk als dwaas beschouwd. Hij is als iemand die hersenschimmen najaagt.

Maar... de oorzaak van het oordeel is duidelijk: vijandschap tegen God.



Vers 8

De wachter.

Hosea is de wachter. JHWH is "mijn God".


Vindt de strik.

Hosea is als een strik van een vogelvanger. Hij kondigt het oordeel aan.


Huis van zijn God.

Daarbij draagt Hosea een diepe afkeer ,een haat, mee tegen het huis van zijn (=Efraïms) god. (Haat tegen de kalverendienst)


Als Efraïm en Juda ondergaan zijn profeten wachters geworden.

Dat is een nieuwe taak: ze kijken uit naar signalen van toekomstig heil en dat heil aankondigen. Ze zien naar de Messias en zijn rijk.



Vers 9

Dagen van Gibea

Richteren 19+20

Dezelfde uitdrukking staat ook in Hosea 10:9.

Efraïm is net zo diep gezonken als de Benjaminieten in de tijd vd richters.



Vers 10

Als druiven in de woestijn

Hier proef je de droefheid van God. Dat eerste begin van Israël was heel bijzonder. Iets wat je niet zou verwachten. Het was bijzonder als de eerste vruchten, de beste vruchten.


Baäl-Peor

Maar... bij Baäl-Peor ging het al mis. Dat was de list van Balak en Bileam.

Numeri 25:3

De ontucht begon daar en is er tot de tijd van Hosea.



Vers 11

De heerlijkheid van Efraïm verdwijnt.

Het gaat nu over aardse zaken. De heerlijkheid van het 10-stammenrijk verdwijnt na Jerobeam II.(753 vC) In 722 ging het land ten onder. In 31 jaar vervloog de heerlijkheid.



De wrede deportatie zal veel zwangere vrouwen het leven hebben gekost. Ook veel baby's en kinderen.



Vers 12

God (Ik) brengt deze straf over hen. Vreselijk als God tégen hen is. God is niet de uitvoerder, Hij gebruikt Assyrië.



Vers 13

Efraïm was als Tyrus.

In Ezechiel 28 lezen we over Tyrus en over de val van Lucifer, de lichtdrager. Hij werd satan. Zo ook Israël. Het verlaat God en wordt Efraïm.

De doodslager is Assyrië, maar achter hem de Satan die zijn kans grijpt als God niet meer beschermt.



Vers 14

Gebed in ellende.

De ellende is zo groot, dat kinderloosheid als een zegen van God wordt gezien.



Vers 15

Gilgal.

Gilgal was een centrum van afgoderij.

God zal niet meer liefhebben.

Dat is een vreselijk oordeel. God heeft hen niet meer lief. Dan grijpt satan zijn kans.



Vers 16

Vreselijke toestanden.

Door de ellendige omstandigheden zullen de kinderen sterven. God onthoudt ze Zijn bescherming.



Vers 17

Zwervers onder de volken.

Leviticus 26:31-33 wordt vervuld. Pas in onze tijd zien we verloren stammen weer terugkeren.

Strabo (geb 63 v C) schreef: " Dit volk, de Joden, heeft zich in elke stad gevestigd. En het is niet gemakkelijk om een plaats in de bewoonbare wereld te vinden waar dit volk niet is gekomen en zijn macht niet heeft doen gevoelen.



<