Hoofdstuk 10


Vers 1

Israël is een wijnstok

In de HSV staat de wijnstok er positief bij. In de SV juist negatief. Daar is het een lege wijnstok.

Bâqaq heeft een negatieve toonzetting. Dus: lege, of uitgeschudde wijnstok past beter.


VdW:

Israël draagt dus géén vrucht voor God.

Hosea beschrijft de toenemende welvaart, maar de vrucht is allemaal voor zichzelf en de afgoden.



Vers 2

Wat is verdeeld? :

Het volk verdeelt de aandacht voor God en de aandacht voor afgoden. Veel aandacht voor de afgoden en een klein beetje voor God.



Vers 3

We hebben geen koning.

Waarschijnlijk ziet de profeet Hosea nu hoe het volk reageert ná de wegvoering. Het brengt het volk echter niet tot inkeer.



Vers 4

Morele verwildering

4b: VdW:



Vers 5

Inwoners van Beth-Aven

Vdw:

Normaal schuilt een mens bij Zijn God. Maar een afgod is niets en is afhankelijk van de mens die hem maakte. Zo waardeloos zijn afgoden.


Beth-Aven.

= Huis van de afgod.

Dit is een spotnaam voor Bethel.

Bethel = huis van God.



Vers 6

Het kalf als geschenk.

Het 10-stammenrijk had 2 gouden kalveren, één in Bethel en één in Dan.

Wat een afgang voor het 10-stammenrijk om hun "god" weg te geven.


Jareb.

Jareb is volgens strongs afgeleid van

Vandaar dat VdW het woord smekeling gebruikt. De SV vocaliseert het woord Yârêb.


VdW:

Waarschijnlijk ziet dit op koning Menahem.



Vers 7

Als een tak op het water

VdW:

qetseph =

In SV staat:

"Schuim" past hier béter dan "tak".


Het heeft met woede te maken, schuimbekken. Samaria en de koning zullen wegdrijven zoals schuim op het water (bv bij een waterval).



Vers 8

Offerhoogten van Aven.

Beth-Aven = huis van de afgod.

De afgodische heiligdommen worden weggevaagd.


Val op ons.



Vers 9

Gibea.

Daar gebeurde een erge zonde. Dit was de aanleiding dat de stam van Benjamin bijna werd uitgeroeid.

Gibea was ook de hoofdstad van Israël t.t.v. koning Saul.


Daar zijn ze blijven staan

9b : daarin (in het dienen van afgoden en bedrijven van ontucht ) waren ze standvastig.


De strijd in Gibea zal hen niet treffen.

Het oordeel zal geen broederstrijd zijn, zoals in het verleden, (Richteren 19) maar vijandige buitenlandse volken zullen komen.



Vers 10

In beide ongerechtigheden.

VdW:

Dus:

Israël wordt gebonden. Israël zal het oordeel dus goed zien, met 2 ogen.



Vers 11

Efraïm, een getemde jonge koe.

VdW:

Ik zal (hem) doen inspannen .

Dus: Ik zal jullie leren, Efraïm zal verstommen (dwz. in de vergetelheid verdwijnen).

Juda zal (nu) vereffenen (onder Hizkia vereffende Juda inderdaad de schuld.

voor hem, dat is Jakob". (dat laatste plaatst de profetie in kader van het Messiaanse heil.)



Vers 12

Zaai voor uzelf in gerechtigheid.

God geeft instructies voor de toekomst. Die zijn aanzet tot toekomstig heil. Hosea geeft basisregels voor een fatsoenlijke maatschappij. Het moet gaan van loutering tot bekering.


VdW:



Vers 13

Vertrouwd op uw helden.

De grote militaire macht was ttv Jerobeam II.

Het vertrouwen was op mensen en niet op God.



Vers 14

Beth-Arbel.

Het gaat over de slachting die de Assyriërs aanrichten. Waar deze stad Beth-Arbel lag is onbekend.

Onduidelijk is ook wie Salman is. Salmanassar III of V, koning van Assyrië?

Salmanassar verwoestte een plaats ten westen van het meer van Galilea. Toen was koning Hosea al aan de macht.



Vers 15

Dat heeft Bethel u aangedaan.

Deze ellende is gevolg van de kalverendienst, van het verlaten van de ware God.


Dageraad = komst van het oordeel.



<