Goedertierenheid.
= verbondstrouw.
Volgens Van Dale:
Dat is de wil van God om goed te doen en om genadig te zijn.
HSV vertaalt het in NT ook met vriendelijkheid.
De aanklacht tegen Israël :
Het wordt concreet gemaakt in vers 2.
Het Hebreeuws suggereert dat het voortdurend gebeurt: vloeken, liegen enz.
Bloedvergieten volgt op bloedvergieten.
Véél rijkdom ttv Jerobeam II, maar moreel verloederd.
Het land treurt.
De bedoeling is om de totale ontreddering te beschrijven. Ook in onze maatschappij kunnen we ons deze tekst aantrekken.
Geen rechtzaak voeren.
Men moet dus elkaar niet de schuld geven van de komende ellende. Allen worden schuldig verklaard.
Een priester aanklagen.
Een priester aanklagen was eigenlijk een klacht gericht aan het adres van God.
De profeet struikelt.
De profeet was dienaar van God. Hij verdwijnt ook als de nacht (=ondergang over Israël) komt. Mogelijk gaat het over valse profeten. Van hun profetieën blijkt niets te kloppen.
Moeder.
Geen kennis.
Kennis van de Bijbel geeft kennis van God. De Bijbel werd niet meer bestudeerd. De kennis van God ging verloren. Dat richt het volk te gronde.
De priesters waren door Jerobeam I aangesteld en niet door God. Deze priesters waren géén Levieten.
Ook Israël had een priesterlijk koninkrijk moeten zijn.
Er is wel grote welvaart in de tijd van Jerobeam II, maar ook groot innerlijk verval. Voor dat verval is men blind.
Hoe talrijker..
VdW: hoe meer overvloed ze kregen, des te meer zondigden ze tegen Mij.
Ze eten de zonde van Mijn volk
VdW: de zonde van Mijn volk verteert hen meer en meer. Hun verdorvenheid voert hun ziel mee.
Het volk geniet van de zonden. Als de verdorvenheid in het hart woont, leidt dat naar het verloren gaan van de mens.
Zo volk, zo priester
In Dan en Beth-el dienden niet veel echte Levieten. Lekenpriesters waren aangesteld door Jerobeam I.
In het 10 - stammenrijk zijn volk en priester gelijk, stamgenoten. Ze worden ook met dezelfde maat gemeten.
Er is dus geen enkele vooruitgang meer te verwachten.
Niet uitbreiden.
Ze bedrijven overspel met priesters of priesteressen van de vruchtbaarheidsgoden, maar dat levert ook niets op.
Waar is hun hart?
Waar hun schat is, daar is hun hart.
Wijn neemt hun verstand weg. Eigenbelang, seksualiteit zonder liefde, en genot bepalen het leven. Dit leven leidt naar de ondergang.
Raadpleegt zijn hout
Huisgoden waren vaak van hout. Minachtend spreekt Hosea zo over de afgoden.
Hun stok:
Geest van hoererij.
Afgoderij noemt God ook hoererij.
Het is hier de geest van de afgoderij.
Op de toppen van de bergen.
Heidense tempels staan op heuvels en bergen. Zo was men dichterbij de goden.
Dochters en schoondochters.
Afgoderij was sterk verbonden met ontucht, tempelprostitutie.
Naast tempelprostituees waren er ook mensen uit het gewone volk die zich aan ontucht overgaven. Dat hoorde bij de afgoderij.
Dochters en schoondochters worden voor hun daden niet gestraft. Ze weten niet beter. Ze kennen God niet meer. Ze weten niet meer wat Hij wil.
Beth Aven.
Het gaat over Bethel, maar de naam wordt iets veranderd.
Bethel = huis van God.
Beth Aven = huis van de afgod.
Oorspronkelijk waren daar profetenscholen.
Bethel was een grensplaats.
Uit het 2-stammenrijk kon men er makkelijk heengaan. Zo werd ook Juda tot afgoderij verleid.
Gilgal.
Ook in Gilgal was een afgodstempel.
Zal God Israël weiden als een lam?
VdW maakt van 16b een vraag. God wilde hen leiden als een lam, maar dat is niet gelukt.
Laat hem met rust.
17b: laat hem alleen. Dat betekent:
In dit vers wordt de erenaam Israël vervangen door Efraïm.
Het Sinaïtische verbond is verbroken. (Lo-ammi = niet Mijn volk)
Het 10-stammenrijk verdween onder de volken.
De wijn is op. De economische voorspoed is voorbij.
In 18b staat een dubbel-zegging:
Daarom vertaalt VdW: nu plegen zij overspel om de ontucht alleen. en hun heersers bedrijven liefde op schaamteloze manier .
Wind.
De stormwind komt, nl. Assyrië. De offers aan de afgoden helpen niets. Er is geen redding meer.
De tijd van de profeet Hosea lijkt veel op onze tijd: