Moeilijk te vertalen.
Hoofdstuk 7 is poëtisch. Moeilijk te vertalen.
Het zit vol woordspelingen zoals: In Leiden moet men lijden en in Wenen zal men wenen.
Datum.
Op de tweede van de zesde maand in het 6e jaar ná wegvoering van Jojachin.
En u.
Waarschijnlijk kan de profeet weer even spreken en Gods boodschap doorgeven.
Einde.
Het 1e woord "einde" heeft geen lidwoord. Het 2e woord "einde" wel. Dat geeft een bijzonder accent. Dus: het ontzagwekkende einde.
Land.
Het woord "land" staat met 2 verschillende grondwoorden. Het 1e woord betekent: vaderland. (Eigenlijk moederland, want er staat een vrouwelijk woord)
Het 2e woord betekent: grondgebied.
Psalm 78:38 laat zien hoe geduldig God was.
Nu lezen we daar niets meer van. Er is zelfs geen oproep tot bekering.
Gods toorn.
=Gods strafgericht.
Einde voor u.
U = Jeruzalem.
Gruweldaden.
Afgoderij op veel manieren. Zelfs kinderoffers.
Herhaling.
Deze tekst wordt herhaald in vers 9.
Uw wegen.
Uw levenswandel.
God zal Israël niet ontzien.
Onheil.
Onheil op onheil - Letterlijk:
Er komt een ongekende ramp aan. God geeft Zijn volk over, en Zijn land en Zijn stad en zelfs Zijn tempel.
VdW:
Ongekende ramp.
Geen vreugdekreet.
Het gaat om een grote tegenstelling. Er gebeuren straks vreselijke dingen in een tijd dat er anders de vreugde van de oogst zou zijn.
Herhaling van de bedreiging.
In de verzen 8 en 9 worden de verzen 3 en 4 herhaald. Het oordeel komt zeker.
De valse profeten spraken van vrede. Nu blijken ze válse profeten te zijn.
Gruweldaden.
Dat zijn allereerst de mensenoffers. Ze vonden o.a. plaats in de tijd van koning Manasse.
Ook de goddeloosheid in de tempel.
De dag.
De dag van Gods wraak.
De staf geeft bloesem.
Dat is de stok waarmee God slaat. Dat is Nebukadnezar.
Die stok is volgroeid. Hij is tot volle bloei gekomen.
De overmoed.
De hoogmoed van Babel neemt toe. Ze is helemaal geschikt om de volken te overheersen.
De bloeiende staf.
De staf van Aäron bloeide en daarmee wees God de persoon aan die Hij uitkoos. Nu bloeit de staf van Nebukadnezar. God wijst hem aan om de straf uit te voeren.
11a hoort eigenlijk bij vers 10.
Dus:
Roede, stok, staf.
Uit Jesaja 10:5 en Jesaja 10:24 blijkt het duidelijk om een instrument van straf te gaan.
"Gesel" zou ook een goede vertaling kunnen zijn.
Niets blijft er van hen over.
Babels geweld wordt erger dan Gods bedoeling was. De geweldenaar Babel zal zelf ten onder gaan als Cyrus Babel verovert.
De koper en de verkoper.
In tijd van rampspoed is er altijd wel iemand die er beter van wordt.
Hier echter niet. De koper koopt wellicht voor weinig geld een stuk land, maar heeft er niets aan.
De verkoper moet noodgedwongen zijn land verkopen, maar het had de waarde toch al verloren.
Gods bescherming is weg.
Als God Zijn bescherming opheft, dan grijpt satan zijn kans.
De verkoper zal naar het verkochte niet terugkeren.
Dit wijst naar het jubeljaar. Dan keerde het bezit altijd terug naar de oorspronkelijke eigenaar.
Dat stond in Gods wet.
Na alle rampspoed is er geen jubeljaar meer.
Het oordeel van God is onherroepelijk.
Niemand trekt ten strijde.
Israël wilde het gevaar van Nebukadnezar nog met wapens afwenden, maar niemand trekt uit. De overmacht is te groot. Alleen verdedigen blijft over.
Maar in de stad zijn 2 van de 3 gevaren die God stuurt: honger en ziekte.(pest)
Door het zwaard sterven.
Honderdduizenden werden buiten Jeruzalem afgeslacht.
De gruwelen van toen horen thuis in het rijtje van pogroms en holocaust.
Als duiven.
Water langs de knieën.
Ze plassen in hun broek van angst.
Geen bekering, maar rouw.
De overgebleven Joden treuren om de verliezen, maar niet over de zonden.
Zilver en goud zijn onrein.
Het gaat om afgodsbeelden. Die zijn overtrokken met zilver en goud. De afgoden helpen niet. Ze zijn onrein en waardeloos.
Rijkdom.
De rijkdom is ook oorzaak van de zondigheid.
De pracht van Zijn sieraad.
VdW vertaalt het ongeveer zoals NIV.
Ontheiligen.
De schatten komen in heidense , Babylonische, woningen en tempels.
Zelfs de heilige voorwerpen uit de tempel worden in Babel ontheiligd.
Mijn aangezicht afwenden.
De sjechina, de heerlijkheid des Heeren verliet de tempel en vertrok naar de Olijfberg.
Mijn verborgen plaats.
Dat is het Heilige der Heiligen. Niemand mocht daar komen, behalve de hogepriester op de verzoendag.
Nu dringen de Babyloniërs hier binnen. Ze stelen alles en steken de tempel in brand.
Leg de ketting klaar.
U zult geketend worden,
weggevoerd als slaven.
Vol geweld.
Geweld: hãmãs .
De Palestijnse terreurorganisatie in Gaza heet zo.
Zij die hen heiligen.
VdW:
Angst komt. Vrede zoekt men.
Het is te laat om nog naar vrede te zoeken.
Bij God is hun ondergang vast besloten.
Nergens hulp.
Men vindt geen hulp bij
Wat had kunnen redden?
Als Israël zich bekeert, blijft er hoop.
Er is immers een eeuwig verbond.