Hoofdstuk 6


Vers 2

Bergen.

Op de bergen

waren de afgodische centra.

Ze worden vernield.

In Ezechiel 36:8 lees je over het herstel.


Tegen wie spreekt Ezechiël?

Tegen 12 stammen.

Dat blijkt bv uit vers 14.



Vers 3

Vernieling voorzegd.



Vers 4

Uw altaren.

Inscripties die recent gevonden zijn op Aramese bouwwerken tonen aan dat het waarschijnlijk niet om altaren gaat, maar om heidense heiligdommen.


Stinkgoden.

Het woord afgod is verwant met "drek, modder".

SV noemt ze drekgoden. Daaruit spreekt een diepe minachting.



Vers 5

Voorzegging vervuld.



Vers 6

Wierookaltaren.

Het gaat hier waarschijnlijk om heidense heiligdommen.

Na deze mededeling lezen we nergens meer iets over vreemde heiligdommen in 10-stammenrijk.


Uw werken.



Vers 7

Veel gesneuvelden.

Dit ziet op de veldtocht van Nebukadnezar in 586 v C.

Het 10-stammenrijk was al weggevoerd.



Vers 8

Overblijfsel.

Die Joden trokken naar Egypte.

Ook van hen zullen er nog omkomen.

Er is voor Israël nooit een definitief einde, dank zij Gods verbond met Abraham.



Vers 9

Aan Mij denken.

Dat is terugkeer tot God, bekering.

Ná de bekering lees je over "walgen over de zonden".



Vers 10

Niet zonder reden.

De Joden gaan beseffen dat de ballingschap hún schuld is. God had al vanaf Mozes gewaarschuwd.



Vers 11

In de handen slaan en stampen.



Vers 12

Overal ellende.

  1. Pest.
  2. Zwaard.
  3. Honger.



Vers 14

Ja woester dan..

Dibla komt nergens elders in de bijbel voor. Men vermoedt dat Dibla in het noorden lag.

Men vertaalt dan:

Dus woesternij van zuid tot noord.


Dibla = Ribla?
In sommige Hebreeuwse handschriften staat "Ribla" in plaats van "Dibla". Ribla is een bekende plaats in het noorden van het huidige Syrië, waar Nebukadnezar zijn hoofdkwartier had tijdens de verovering van Juda.

Sommige bijbelgeleerden en vertalingen gaan ervan uit dat "Dibla" een tekstuele fout is en "Ribla" bedoeld is.



<