Hoofdstuk 31


Vers 2

Zijn menigte.

Het grondwoord kan op veel manieren vertaald worden.

Steeds wijst het op "overdadig".

Het gaat vooral over positie en prestaties.



Vers 3

Assyrië viel in 612 v C.

En dat was een machtige staat. Laat Egypte zich dus niets verbeelden.


Ceder.

Een boom kan een beeld zijn voor een wereldrijk.

Eden.

Eden is dus een groot deel vh Midden-Oosten. In Eden ligt Gods hof.

In Gods hof was een gezalfde cherub, de latere Satan.

Hij woonde op Gods heilige berg (=Sion).

Dus Gods hof lag in of bij Jeruzalem. Eén van de rivieren van Gods hof heette Gihon.

Nog altijd ligt de Gihonbron in Jeruzalem. God verbande satan van Gods berg.

Nog altijd gaat de strijd om deze plaats.



Vers 4

Watervloed.

Grondwoord: těhôm.

Dat is moeilijk te vertalen. Het zijn eigenlijk de oerwateren, de plaats waar alle water van de wereld is opgeslagen.

Hier zal de Eufraat bedoeld zijn. Dat was dé rivier van Assyrië.


Alle bomen op het veld.

Een boom kan beeld zijn van een rijk. Dan gaat het hier over vazalstaten van Assyrië.



Vers 6

Vogels.

Mensen die met Assyrië verbonden zijn.



Vers 8

Ceders in Gods hof.

In Ezechiel 28:13-14 gaat het ook over Gods hof. Ook over Gods heilige berg. Die heilige berg is Sion, een beeld van Sion in het hemelse Jeruzalem.

Gods hof in Eden is waarschijnlijk de omgeving van het aardse Jeruzalem, het land van God, Israël.

In Gods hof stonden bomen, de vorsten van Juda. Ze waren niet zo machtig als de ceder Assyrië.

Assyrië stond volgens vers 16 wél in Eden, maar niet in Gods hof.

Dat geldt ook voor Egypte.



Vers 11

Heerser.

=Nebukadnezar.

Daniël noemt Nebukadnezar zelfs koning der koningen.

Daniel 2:37.



Vers 12

Assyrië viel.

Nebukadnezar hakte deze geweldige boom om.



Vers 14

God wil Assyrië als voorbeeld stellen voor andere hoogmoedige staten, zoals Egypte.


De kuil

=dodenrijk



Vers 15

Graf.

= sheool, dodenrijk.



Vers 16

Eden.

Volgens Ez 31:16 hoorde Assur tot Eden. Volgens Ez 31:18 hoorde Egypte ook bij Eden.

Eden is dus een groot deel vh Midden-Oosten. In Eden ligt Gods hof (Ez 32:8 en ook Ez 28:13). In Gods hof was een gezalfde cherub (Ez 28:14), de latere Satan. Hij woonde op Gods heilige berg (=Sion).

Dus Gods hof lag in of bij Jeruzalem. Één van de rivieren van Gods hof heette Gihon (Gen 2:13). Nog altijd ligt de Gihonbron in Jeruzalem. God verbande satan van Gods berg. (vs 16).

Nog altijd gaat de strijd om deze plaats.


Libanon ligt ook in Eden.


Waterdrinkers.

Veel volken waren onderworpen door de wrede Assyriërs.

Assyrië kreeg water uit de " watervloed" (vers 4). Vandaar ging water naar de vazalstaten , =bomen vh veld.

De waterdrinkers zijn dus de vazalstaten.

Nu Assyrië ondergaat, zijn die volken getroost.



Vers 17

Graf

=sheool, dodenrijk

In het dodenrijk komt het onstoffelijke, de geest.

Psalm 9:18

In het graf komt het lichaam.



Vers 18

U.

= Egypte.


Egypte zal ook onder gaan.

Assyrië en anderen troosten zich als ze ook Egypte in het dodenrijk zien komen.


Het lijkt op een bewuste toestand in het dodenrijk.

Die indruk krijg je ook uit het verhaal over de rijke man en de arme Lazarus.



<