Hoofdstuk 32


Vers 1

12 jaar ná de wegvoering van Jojachin.

Hét is dus 2 jaar na de boodschap van Ezechiel 31.

18 maanden na de val van Jeruzalem.



Vers 2

Egypte was een machtige en gevreesde staat.



Vers 3

Mijn net

God geeft Nebukadnezar het net in handen.

In Ezechiel 30:24-25 was het Gods zwaard.



Vers 7

Verwoesting

In Egypte wordt waarschijnlijk veel in brand gestoken. Rookwolken verduisteren alles.



Vers 14

Als olie

Beeld van volken die weer tot rust komen.



Vers 17

Dit klaaglied is 14 dagen na het 1e klaaglied.



Vers 18

Ezechiël moet klagen en uitbeelden dat hij Egypte gaat begraven.



Vers 21

Andere machtige koningen zullen farao en zijn volk verwelkomen in het dodenrijk.



Vers 22

Graf

Qeber

=graftombe



Vers 23

Kuil

Bôr = dodenrijk



Vers 24

Allen gesneuveld.

  1. Egypte.
  2. Elam vers 24.
  3. Mesech en Tubal vs 26.
  4. Edom vs 29.
  5. Sidon vs 30.



Vers 27

Helden met hun wapenrusting.

Dat zijn de gesneuvelde Chaldeeën. Ze werden met krijgsmanseer begraven met het zwaard onder hun hoofd.



Vers 31

Schrale troost.

Egypte troost zich dat het niet de enige is die door Nebukadnezar ten onder is gebracht.



<