Hoofdstuk 3


Vers 1

Hij moet vertellen wat er op de rol staat.


Opeten.

Huis van Israël.

De woorden van Ezechiël zijn bedoeld voor 12 stammen.



Vers 2

Die rol.

Grondtekst: de boekrol de deze.

VdW: die bijzondere boekrol.



Vers 3

Zoet in de mond.

Zoet was het ook bij Johannes, maar het werd bitter in de buik.

Als we Ezechiel 2:10 lezen, zien we de inhoud van de rol. Vreemd dat dat "zoet" is.



Vers 5

Want u wordt..

In de grondtekst wordt dit stukje vooraf gegaan door "zeker". In het NT zouden we vertalen met "voorwaar".


Volk.

Een heidense volksstam.



Vers 6

Volken.

Hier zijn heidenvolken bedoeld.


Israël luistert niet.

De Joden konden Ezechiël goed verstaan. Hij sprak hun taal. Dat zou heel anders zijn als Ezechiël naar heidenvolken moest. En toch... Israël luistert niet. Dat zouden de heidenen wel gedaan hebben. Ninevé bekeerde zich op de preek van Jona.

Hetzelfde ongeloof herhaalt zich bij de prediking van Jezus. Israël luistert niet en verwerpt Hem. Dan gaat Hij zich een gemeente vergaderen die voor het grootste deel uit bekeerde heidenen is samengesteld.


Als Ik u naar hen...

In de grondtekst staat hiervoor nog: "zeker".

Joodse geleerden beschouwen dit als een eed.

Voorwaar, als Ik u naar hen...



Vers 7

Oorzaak van het niet luisteren.

Het volk wil de woorden van God niet horen. Ze dienen God niet echt. Dan luisteren ze ook niet naar Gods profeet.

Ze hebben Mij gehaat, ze zullen ook u haten. Een dienstknecht is niet meer dan zijn Heer.


Heel Israël.

Juda leerde niets van de ondergang van het 10-stammenrijk. Juda luisterde ook niet.



Vers 8

Uw gezicht even hard.

Als er toch niemand luistert, dan zouden wij ermee stoppen.

Nee...God maakt Ezechiël net zo hard en koppig als het volk en hij houdt vol. Zo was het ook bij Jeremia.

Voor het waarschuwen is Ezechiël ook verantwoordelijk.



Vers 9

Voor hun blik.

Als het kon zouden de Joden Ezechiël gedood hebben met hun blik. Die was vol boosheid en haat.


Opstandig huis.

Ze zijn opstandig tegen God en daarom ook tegen Ezechiël.

Het gaat hier over Joden in ballingschap. Ze hebben niets geleerd.



Vers 12

Toen hief de Geest mij op.

De Geest verplaatst Ezechiël.

Lofzang.

Ezechiël hoort een lofzang op Gods heerlijkheid. Het is een krachtig geluid.



Vers 13

Levende wezens.

Deze 4 levende wezens (Chayos) lijken op mensen. Het zijn cherubs.

Ook in Openbaring zien we de vier "dieren" terug.

Wielen.

Ofanim.



Vers 15

De Geest nam hem op.

Ezechiël was al bij de rivier Kebar.

Hij is dus door de Geest verplaatst langs deze rivier.


Ontzet.

Ezechiël zit daar 7 dagen zonder een woord van God te spreken. Er stond ook niet veel goeds op de boekrol die hij moest opeten.

Na zeven dagen komt God met een boodschap.


Ik verbleef daar ontzet...

In de grondtekst staat een meervoudsvorm. Dus waarschijnlijk is niet Ezechiël ontzet, maar de ballingen om hem heen. Die 7 dagen die de profeet neerzat, verbijsterde hen.



Vers 17

Wachter.

Een wachter is hier een vertegenwoordiger van God.

Hij moet waken tegen geestelijke vijanden zoals ongeloof en afgoderij en het volk waarschuwen.


Deze wachter Ezechiël moet steeds eerst luisteren wat God voor een boodschap heeft. Die moet hij doorgeven.

Hij komt dus nooit met een oude preek.


Huis van Israël.

Alle 12 stammen, hoewel het 10-stammenrijk al in ballingschap was.



Vers 19

U hebt uw leven gered.

Het gaat hier om het redden van de geest van de wachter. Er is hier sprake van het innerlijk.

Jacobus spreekt over het redden van de ander.



Vers 20

Rechtvaardige.

Het is iemand die volgens de geboden leeft. Hij deed rechtvaardige daden, staat er. Hier wordt niet iemand bedoeld die door het geloof in Jezus een rechtvaardige is geworden.


Niet meer in herinnering worden gebracht.

Het Hebreeuws dat hier vertaald wordt met "herinneren" kan ook vertaald worden met:

Dus de rechtvaardige daden zullen géén positieve invloed hebben in het oordeel.

Deze exegese ligt meer voor de hand dan "niet meer herinneren".



Vers 22

Vallei.

Tegenwoordig weten we dat het grondwoord "vlakte" betekent. Een vlakte die dichtbij de stad Babel ligt.

Het is niet het dal van de rivier Kebar.



Vers 23

De heerlijkheid

Ezechiël ziet de troonwagen met daarbij de vier wezens die hij ook zag in



Vers 24

Toen kwam de Geest in mij.

In de grondtekst ontbreekt "de". Dan moeten we vertalen met "een".

Het gaat dus niet om de Heilige Geest, maar om een levensgeest die weer in de profeet komt.

De Heilige Geest bindt Ezechiël aan huis.



Vers 25

Met touwen gebonden.

"Zouden" kan ook met "zullen" vertaald worden. Ze zullen u vastbinden.

Het volk is vijandig naar Ezechiël.

Ezechiël mag niet naar het volk om te waarschuwen.

Hij mag niet naar de ballingen.

Hij mag ook niet de Joden in Jeruzalem waarschuwen.



Vers 26

Stom worden.

Ezechiël mag niet spreken tegen het volk. Het oordeel over het volk is onherroepelijk.

Die stomheid wordt opgeheven in

Dan ontvangt hij de tijding van de val van Jeruzalem.

Dat is 7 jaar later. Dan zijn de oordelen al gekomen.



Vers 27

Ik zal uw mond openen.

God bepaalt wat Ezechiël zeggen moet. Af en toe heft God de stomheid tijdelijk op. Dan spreekt Ezechiël Gods woorden.

In Ezechiel 33:21-22 opent de Heere de mond van Ezechiël voorgoed. Dan is hij al 7 jaren stom geweest.

Dit was al aangekondigd in

De stomheid was een teken van de boosheid van God.



<