Eén die recht doet
Voor Sodom waren nog 10 rechtvaardigen nodig, voor het behoud van Jeruzalem slechts één.
Was Baruch er niet meer?
Valse eed
Ze gebruiken de naam van God in de eed om valse dingen te doen. Ze zijn onoprecht. God wil waarheid en betrouwbaarheid.
God heeft geslagen, maar ze slaan er geen acht op.
Jesaja 1:5
Jesaja 9:12
Jeremia 2:30
Samen het juk verbroken
Aanzienlijken en armen zijn allemaal van God afgeweken.
Erge rampen zullen hen treffen. De verscheurende dieren stellen de vijanden voor.
Hier gaat het om echt overspel binnen het huwelijk.
Er komt wel ergens straf, maar er moet een overblijfsel blijven.
Jeremia 4:27
Jeremia 5:18
Hij is het niet
Israël bedoelt: Hij is niet zo streng.
Valse profeten. Ze spraken Gods woord niét.
Alle pijlen vd vijand zijn raak en dodelijk.
Plundering
Alles wordt door de vijand meegenomen.
Jeremia 4:27
Waarom deze rampen?
Eigen schuld.
God verlaten en afgoden gediend.
Jeremia 5:25
Vol bedrog
Huizen zijn vol met alles wat door bedrog verkregen is.
Zacharia 7:10