Hoofdstuk 5


Vers 1

Eén die recht doet

Voor Sodom waren nog 10 rechtvaardigen nodig, voor het behoud van Jeruzalem slechts één.

Was Baruch er niet meer?



Vers 2

Valse eed

Ze gebruiken de naam van God in de eed om valse dingen te doen. Ze zijn onoprecht. God wil waarheid en betrouwbaarheid.



Vers 3

God heeft geslagen, maar ze slaan er geen acht op.

Jesaja 1:5

Jesaja 9:12

Jeremia 2:30



Vers 5

Samen het juk verbroken

Aanzienlijken en armen zijn allemaal van God afgeweken.



Vers 6

Erge rampen zullen hen treffen. De verscheurende dieren stellen de vijanden voor.



Vers 8

Hier gaat het om echt overspel binnen het huwelijk.



Vers 10

Er komt wel ergens straf, maar er moet een overblijfsel blijven.

Jeremia 4:27

Jeremia 5:18



Vers 12

Hij is het niet

Israël bedoelt: Hij is niet zo streng.



Vers 13

Valse profeten. Ze spraken Gods woord niét.



Vers 16

Alle pijlen vd vijand zijn raak en dodelijk.



Vers 17

Plundering

Alles wordt door de vijand meegenomen.



Vers 18

Jeremia 4:27



Vers 19

Waarom deze rampen?

Eigen schuld.

God verlaten en afgoden gediend.

Jeremia 5:25



Vers 27

Vol bedrog

Huizen zijn vol met alles wat door bedrog verkregen is.



Vers 28

Zacharia 7:10



<