Hoofdstuk 4


Vers 1

Bekeer u tot Mij

Dus geen uitwendige bekering zoals onder Josia.


Niet meer rondzwerft

Dan zult u niet rondzwerven, niet weggevoerd worden.



Vers 3

Ploeg ongeploegd land

Ws slaat dat op de zonden.

Die staan zoals onkruid op ongeploegd land.

Ploeg dat onder. Weg met de zonden.



Vers 4

Het hart besnijden

Dat is oprecht bekeren.



Vers 5

Blaas de bazuin

Als er géén bekering volgt, dan zal de vijand, Nebukadnezar, komen.



Vers 7

Leeuw

=Nebukadnezar

Hij had al veel heidenvolken verslagen.



Vers 9

Radeloosheid



Vers 10

Ten zeerste bedrogen

Dit vers wordt ook wel als vraag gelezen: Hebt Gij...

Antw. Nee, u was duidelijk in uw bedreiging.



Vers 14

Er is nog een mogelijkheid tot redding: bekering.



Vers 15

Een bericht vd ellende komt reeds uit het hoge noorden, uit Dan.



Vers 17

Tegenover haar

=Jeruzalem



Vers 18

De oorzaak

Dat is het ongelovige, zondige Israël zelf.



Vers 19

Mijn binnenste

Uitdrukking van erg verdriet.



Vers 23

Als Israël in ballingschap gaat, keert het land terug tot de toestand van de 1e scheppingsdag: woest en leeg.

Als Israël terugkeert wordt de woestijn als de hof van Eden.

Jesaja 51:3


Zijn licht was er niet

Het licht werd verduisterd. Ws door rookwolken. De vijand stak veel in brand.



Vers 27

Erg voor God ook, want het was Zijn land, het sierraadland.

Jeremia 3:19

Jeremia 5:18



<