Hoofdstuk 38


Vers 2

De vorsten vinden Jeremia gevaarlijk.



Vers 4

Vorsten zijn ongelovig.

De grootste zonde van de vorsten was: ongeloof aan het woord van God.



Vers 6

Malkia.

Hij was prins en had daar een put.



Vers 10

Zegen voor Ebed-Melech.



Vers 26

Dit had Jeremia inderdaad eerder gevraagd. Jeremia 37:20

Misschien heeft hij het tijdens dit gesprek wel opnieuw gevraagd.

Dan sprak hij geen leugen, maar hij vertelde niet alles.



<