De vorsten vinden Jeremia gevaarlijk.
Vorsten zijn ongelovig.
De grootste zonde van de vorsten was: ongeloof aan het woord van God.
Malkia.
Hij was prins en had daar een put.
Zegen voor Ebed-Melech.
Dit had Jeremia inderdaad eerder gevraagd. Jeremia 37:20
Misschien heeft hij het tijdens dit gesprek wel opnieuw gevraagd.
Dan sprak hij geen leugen, maar hij vertelde niet alles.