Hoofdstuk 36


Vers 1

4e jaar van Jojakim.

606 v C

Het 1e jaar van Nebukadnezar.



Vers 2

Vanaf Josia.

Dus de prediking van 24 jaren.


Baruch.

Baruch schrijft deze boekrol.

Hij krijgt een troost van God.



Vers 3

Misschien.

God wist de uitkomst. Jeremia niet.


Gods doel.

De bekering van het volk.



Vers 4

Baruch.

= gezegend, geloofd, geprezen



Vers 5

Tegengehouden.

Waarschijnlijk zat hij niet gevangen volgens



Vers 6

Vastendag.

De verzoendag.


Vasten.



Vers 9

Vasten in 9e maand.

605 v C

Er is een jaar verstreken nadat Baruch aan de boekrol begon te schrijven.



Vers 10

Gemarja.

Hij was één van de vorsten van Jojakim.



Vers 15

Nu leest Baruch dus in het paleis.



Vers 19

Verberg u

Volgens Jeremia 36:26 verborg God hen.



Vers 22

Het was winter, ongeveer december.



Vers 26

Jerahmeël

In SV staat: de zoon van Hammélech.

De HSV heeft dat vertaald: zoon vd koning.



Vers 30

Niemand op de troon.

Jojakim zal geen opvolger hebben. Zijn zoon Jojachin volgt wel op

maar Jojachin regeert slechts 3 maanden.

Zijn lichaam weggeworpen.

Hoe klopt dit met



<