Hoofdstuk 30


Vers 1

Verlossing

Deze verlossing is ws profetie vd eindtijd. Dat zie je duidelijk in:



Vers 3

Israël en Juda.

De tien stammen keren ook terug. De terugkeer zal zijn in een benauwde tijd. Jezus, hun David, zal over hen regeren.

Dit ziet dus op de eindtijd.


Israël + Juda vormen samen het hele huis van Jakob.

Over het huis van Jakob zal Jezus koning zijn.



Vers 5

Angst en geen vrede.

Aan de verlossing gaat veel ellende vooraf.

  1. Pogroms.
  2. Holocaust.
  3. De grote verdrukking.



Vers 6

Weeën.

Dappere mannen zijn angstig.

Alsof er weeën zijn. Jezus spreekt ook over weeën vlak vóór Zijn komst.



Vers 7

Die dag.

Het gaat over een periode.

Dat is de "dag van de wraak", de dag van Gods toorn, de grote verdrukking.

Veel profeten spraken erover.

Zo'n benauwdheid was er niet eerder.

Deze benauwdheid zal erger zijn dan de holocaust.

⅔ van Israël zal nog omkomen.

Het doel van deze benauwdheid.

  1. Israël tot geloof brengen in Jezus. Hem als hun Messias erkennen. Hosea 5:15. Daniel 12:1.
  2. Afrekenen met de goddelozen.



Vers 8

Zijn juk wordt verbroken.

Het juk van de antichrist tijdens de grote verdrukking.

Jezus zelf werpt de antichrist en de valse profeet in de hel.



Vers 9

Hun Koning David

=Jezus, de Messias.



Vers 10

Niemand jaagt Israël schrik aan.

Dit moet zien op het vrederijk.



Vers 11

Vernietigend einde aan de heidenvolken.

God maakte een eind aan de diaspora. In 1948 ontstond de staat Israël in het beloofde land.

Maar... God maakt ook een vernietigend einde met enkele heidenvolken waarheen de Joden verdreven waren, Oekraïne, Syrië, Irak.

Oekraïne kende veel pogroms.

Uit het Midden-Oosten zijn 850.000 Joden verdreven.



Vers 12

Ongeneeslijk is uw breuk.

Nu spreekt de profeet tegen de ongelovige Joden die de kant van de antichrist kiezen.

Ze komen om.

De aanleiding tot deze straf staat in



Vers 16

God keert Zich tegen de vijanden van het gelovige overblijfsel.



Vers 17

Israël was er slecht aan toe.

Jeremia 30:12-13



Vers 18

Een omkeer brengen

Dat ziet op het vrederijk.



Vers 19

Vrolijke mensen.

Israël tot aanzien.

Talrijk.



Vers 20

Zijn zonen

=Joden

Jesaja 61:5



Vers 21

Zijn Machtige.

=Messias Jezus.

Hij is een Jood, één van hen.


Tot Mij naderen.

Géén koning mocht in het heiligdom tot God naderen, maar Jezus mag dat wel.



Vers 22

Israël is weer Gods volk.

Jeremia plaatst dit in de eindtijd. Het komt weer goed tussen God en Israël.



Vers 23

Een storm van de HEERE.

Hier gaat het over de "dag van de wraak", de toorn van God en van het Lam. God straft de goddelozen.

Dat vindt plaats in de grote verdrukking.



Vers 24

De brandende toorn.

In Openbaring 6:16-17 lezen we over de toorn van Het Lam. De "dag van de wraak" is aangebroken. Die "dag van de wraak" is de grote verdrukking. Over deze "dag van de wraak" schrijft Jesaja 61:1-2.

God verlost de gelovigen van die toekomende toorn.

Hij zal de gelovigen dus opnemen vóór de grote verdrukking.


Gedachten van Zijn hart.

In dit verband zijn de gedachten van Gods hart

In later tijd.

Letterlijk:

Dat is dus in de eindtijd.

Dat is ónze tijd.


Wát zullen we dan begrijpen?



<