Hoofdstuk 13


Vers 1

Gordel

Als die vies werd, onrein dus, mocht hij niet in het water gewassen worden. De gordel moest onrein blijven. Beeld van Israël.

Israël had dicht aan de HEERE verbonden moeten zijn, zoals de gordel om Jeremia.



Vers 4

Eufraat.



Vers 11

Gods doel met Israël.

Het gaat om Gods lof en eer.

Israël is het speciale eigendom van God.

Maar toch...de héle aarde is van God.


Niet geluisterd.

Het doel was dat de volken hun goden zouden verlaten en de God van Israël zouden dienen.

Echter...Israël verlaat de ware God en gaat de goden van de volken dienen.



Vers 12

Elke kruik.

= Elke Israëliet

God zal ze vullen met wijn van Zijn toorn.



Vers 15

Luister goed wat ik over die wijnkruiken heb gezegt.



Vers 16

Israël moet zich bedenken, tot bekering komen, voordat het te laat is.



Vers 18

Jeremia ziet dat de ellende ook het koningshuis niet voorbij gaat.



Vers 20

Uit het noorden

De Chaldeeën komen. Ze zullen de kudden van Israël roven.



Vers 21

Bij die volken had Israël hulp gezocht. Ze had hun goden gediend.



Vers 22

Hielen overweldigd

Israël gaat als slaven, geketend aan de voeten.



Vers 23

God verwacht geen enkele verbetering meer van Israël. Het kwaad is ze met de paplepel ingegoten.



Vers 25

Dit zal uw lot zijn

= de wegvoering is hun lot.



Vers 26

Naakt moeten ze gaan, geketend.



<