Hoofdstuk 12


Vers 1

Jeremia weet dat God rechtvaardig is, maar hij heeft hetzelfde probleem als Asaf in Psalm 73.



Vers 2

Ook dragen ze vrucht.

Het gaat goed met Israël.

Ze spreken wel over God, maar hun hart is er niet bij.



Vers 3

Jeremia klaagt eigenlijk dat het hem slecht gaat, terwijl hij de HEERE dient.


Ruk ze uit

De goddeloze Israëlieten.



Vers 4

Er komt grote droogte.

Jeremia 14:1

Jeremia 7:20



Vers 5

De vijandschap zal groter worden.

God wil Jeremia duidelijk maken dat de vijandschap zal groeien.

Nu zijn het de mannen van Anathoth,(hardlopers) straks de burgers van Jeruzalem.(paarden).


Glorie van de Jordaan.

Daar wonen leeuwen.



Vers 6

Ook huichelachtige bloedverwanten zullen vijanden zijn.



Vers 7

Ik=De HEERE



Vers 8

Als een leeuw

Israël keert zich tégen God.



Vers 9

Vogel

Ajit=arend. 2x



Vers 10

Veel herders

Dat zijn de Chaldeeën.



Vers 11

Men heeft hem gesteld

De Chaldeeën hebben Mijn akker, d.i. Kanaän verwoest.



Vers 12

Overal gaat de vijand tekeer.



Vers 13

Er groeit alleen nog onkruid.



Vers 14

Ook de boze buurvolken van Israël zullen hun straf niet ontlopen.



Vers 15

Juda wordt uitgerukt

Er blijft toch hoop. Israël zal terugkeren. God zal zich ontfermen.


Ik zal hen wederbrengen

Hen



<