Hoofdstuk 6


Vers 1

Heere.

=Adonai.

Vóór Heere staat "eth". Meestal blijft dat onvertaald, maar VdW maakt ervan:

Dat is waarschijnlijk niet Jahweh maar Jezus.


Vulden de tempel.

Ook voor "de tempel" staat "eth". VdW leest:

Waarschijnlijk spreekt Jesaja hier over de hémelse woonplaats van God.



Vers 2

Seraf.

Seraf = de brandende.

Zo ook in Genesis 3:1.

Dit laat misschien zien wat de heerlijke afkomst van de satan is. Hij was een lichtdrager (seraf) en werd nachash.

Hij wordt overigens cherub genoemd en niet seraf.

Zes vleugels.

De vier wezens uit Openbaring hebben ook 6 vleugels.

Gezicht en voeten bedekken.

De heilige engelen bedekken hun gezicht voor God.

Gelovigen mogen vrij tot God naderen. Zij bedekken zich niet, maar noemen God: Mijn Vader, mijn papa.

Precies zoals Jezus doet.



Vers 3

Heilig, heilig, heilig.

De lof is voor Jahweh.

Jezus (Adonai uit vers 1) treedt op uit naam van de Vader.

De aarde is vol van Zijn heerlijkheid. Dat is nu nog niet zo, maar in vrederijk wel.


Engelen - gelovigen.



Vers 4

Deurpinnen.

Deurposten bewogen een "ammâh"= een el.

Mogelijk kwam die rook van wierook (vers 6).


Hem die riep.

Dat is een seraf. (vs 3)



Vers 5

Wee mij, ik verga.

Dat was de gedachte ná het zien van een engel.

De Koning, de HEERE.

Vóór Koning staat "eth". Het gaat om het wezen, de manifestatie van de Koning.

Misschien dacht Jesaja dat hij JHWH zag.

Zo'n vergissing ook in Richteren 13:22.



Vers 6

Gloeiende kool.

De gloeiende kool moest genomen worden van het brandofferaltaar. Dat was heilig vuur.

Reukwerk diende ook tot verzoening.

Rook vervult de tempel (vers 4), dus het lijkt over het reukofferaltaar te gaan. Dat altaar stond in het heilige.



Vers 7

Lippen aanraken.

Dat gebeurde bij meerdere profeten.

Zo konden ze Gods woorden gaan spreken.



Vers 8

Stem van Adonai.

Vóór "stem" en "wie" staat "eth". Dat woordje wordt meestal niet vertaald.

VdW vertaalt:

Jesaja treedt hier in dienst van Jezus. Daarom schrijft hij veel over de Messias en het vrederijk.


Zie hier ben ik.

In het Hebreeuws staat: hineni.

Hineni drukt bereidheid uit. Ja HEERE, ik ben bereid. Vertelt u het maar, ik luister. Ik wil voor U beschikbaar zijn.



Vers 9

Luisteren en niet begrijpen.

Moedeloos werk. Jesaja klaagt er later over.

Jezus haalt deze tekst weer aan.

God laat toe dat deze ongelovige mensen zichzelf verharden.

Hij geeft ze daaraan over.



Vers 10

Maak het hart vet.

God is niet de oorzaak, maar God laat de verharding toe.

Het evangelie brengt iemand niet de dood, want het evangelie is een verkondiging ten leven.

Het evangelie is een kracht van God tot zaligheid.

De ongelovigen verzetten zich moedwillig tegen het evangelie. Precies zoals de farizeeërs deden. Zij weigerden gered te worden. Dit maakte hun straf zwaarder, maar dat was zeker niet het doel van de evangelieverkondiging.



Vers 11

Heere.

=Adonai.

Waarschijnlijk Jezus, de soeverein.


Steden verwoest.

"Zij liggen verwoest " wordt vooraf gegaan door "îm".

Daarom: écht verwoest.


Land verwoest.

Land=ădâmâ=

Tot hoelang?

Totdat de steden verwoest zijn. Dat is begonnen in 70 n Chr. en heeft tot in de 19e eeuw geduurd.

Die blindheid en doofheid duurt daarna nog voort. Paulus spreekt van geest van diepe slaap. Die duurt tot nú toe.

Land is verworden tot woestenij.

Dat is eeuwen zo geweest. Sinds de terugkeer van de Joden wordt het land weer vruchtbaar.



Vers 12

De mensen zullen ver weggaan.

  1. De Babylonische ballingschap.
  2. De diaspora na 70 ná Chr.

God neemt afstand van Zijn volk. Ze zullen om hun zonden Gods land moeten verlaten. Dat moesten de Kanaänieten ook in de tijd van Jozua.



Vers 13

Eik en haageik.

Er wordt gesproken over 2 bomen, Israël en Juda.

De afgehakte eik brengt Het heilige Zaad voort, de Loot uit stronk.

Er zal ook altijd een overblijfsel zijn.

God brengt Zijn volk terug. De Messias zal hun Koning zijn.



<