Hoofdstuk 5


Vers 1

Mijn Beminde, mijn Geliefde.

Jesaja zingt voor God, zijn Geliefde.


De wijngaard.

De wijnstok is Israël.

Wijngaard is Kanaän, het land Israël.

Dat land was vruchtbaar, een hoorn van overvloed.

Een wijnstok heeft geen waardevol hout. Zijn enige nuttige opbrengst zijn de druiven.



Vers 3

Oordeel toch.

Het Sinaïtische verbond is tweezijdig. Israël verbrak het. God eist echter uitvoering van de contractbepalingen.



Vers 5

De bescherming verdwijnt.

Zolang de sjechina, de heerlijkheid van God, troont in Jeruzalem duldt God de verwoesting niet. Maar als God zijn handen aftrekt van het volk en niet meer beschermt, moet ook de sjechina weg. Dat ziet de profeet Ezechiël gebeuren.

Satan grijpt dan zijn kans en brengt rampen over Israël.



Vers 7

Zondeschuld van Juda.

Onder de koningen Manasse en Amon wordt de zondenschuld van het 2- stammenrijk groter dan die van het 10- stammenrijk en groter dan van Sodom.



Vers 8

6-voudig wee.

Een aanklacht tegen de verbrekers van het Sinaïtische verbond.



Vers 10

Eén bath.

Een inhoudsmaat tussen 20 en 45 Liter.


Een homer.

Een korenmaat van vermoedelijk tussen de 200 en 450 liter.


Een efa.

Een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter.



Vers 12

Leven zonder God.

Veel feest, geen Geest.

Pluk de dag.



Vers 13

3 straffen.

  1. Ballingschap.
  2. Honger.
  3. Dorst.



Vers 14

Graf.

=sheool = dodenrijk.

Velen zullen sterven.

Velen zullen zelfs blij zijn om door de dood de oorlogsellende te ontkomen.

Vanuit hun drinkgelagen (vs 12) zullen ze in diepe ellende komen, zelfs in de dood.



Vers 16

God wordt geheiligd.

God straft de overtreders en daardoor wordt Zijn naam geheiligd.



Vers 17

Puinhopen.

Er staat:

Weldoorvoeden.

"Weldoorvoede mensen" staat te ver van de grondtekst. In Psalm 66:15 betekent het woord: mestvee.


VdW

Dus:"op de woeste plaatsen graast het mestvee. Zij die daar rondzwerven (vreemdelingen) zullen ze (het mestvee) eten".



Vers 19

Laat Hij haast maken.

Het goddeloze volk daagt God uit. Hij dreigt wel, maar doet niets, zeggen ze. Laat God dan opschieten.



Vers 20

Het kwade goed noemen. 

Zo doet men precies in onze tijd. Ook daarover is God zeer ontevreden.



Vers 22

Wee over de zuiplappen.



Vers 23

Wee over de onrechtvaardigen.



Vers 24

De goddelozen zullen zeker omkomen, want ze hebben de wet van God overtreden.



Vers 25

God heeft hen geslagen.

Ttv Achaz : de Syro-Efraïmitische oorlog (732) eiste veel mensenlevens.

Ttv Hizkia : de Assyrische inval.


Ttv Manasse : een wegvoering naar Babel.



Vers 26

Banier omhoog.

God roept Nebukadnezar. God fluit de heidenvolken naar Jeruzalem. Dat is het einde van Jeruzalem.

God staat nu aan de kant van de vijand. Hij stuurt de vijand naar Israël.



Vers 27

Onder hen..

Onder die oprukkende vijanden.



Vers 30

Tegen het volk grommen.

De heidenvolken zullen tegen Israël tekeer gaan.


Duisternis en rook.

De Babyloniërs steken alles in brand. De aarde wordt er donker van.



<