Hoofdstuk 50


Vers 1

Huwelijk en scheiding.

Er is een huwelijk tussen God en Israël.

God en Israël leven wel gescheiden, maar er is geen definitieve breuk. De echtscheidingsbrief bestaat niet, zegt God.

Er is wél sprake van een echtscheidingsbrief in

De zonden van het volk zijn de reden dat Israël gescheiden leeft van God, maar God blijft trouw en Israël wordt weer Zijn volk en Hij wordt weer hun God.

Lo-Ammi (=Mijn volk niet) wordt weer Ammi (Mijn volk).

In Jesaja wordt het idee van een formele, onomkeerbare scheiding juist ontkend. God zegt: “Waar is die brief dan? Toon hem maar.” Het punt is: het volk kan niet zeggen dat God hen definitief verstoten heeft of dat Hij “klaar” met hen is. Hun situatie is het gevolg van hun eigen zonden, niet van Gods definitieve afwijzing.



Vers 2

Waarom was er niemand toen Ik kwam?

ttv Kores kwam God tot Israël. Het verbond had hersteld kunnen worden. God riep Israël op om terug te keren naar Jeruzalem, maar er kwam geen antwoord. Er keerde maar een klein deel van Israël terug naar Kanaän.

Slechts 42.360 Joden keren terug.

Ze waren niet alleen Cyrus , maar ook God ongehoorzaam.

Is er geen kracht in Mij om te redden?

God zegt alle belemmeringen te kunnen wegnemen. Zelfs zee en rivieren kan Hij droog leggen.

Vertrouw op Hem.



Vers 3

Ik bekleed de hemel met zwart.

God is verdrietig. God liet Kores afkondigen dat de Joden mochten terugkeren.

Het grootste deel van Israël sloeg Gods aanbod af.



Vers 4

Hij gaf Mij een tong van een leerling.

Mij = Jezus.

Jezus ontvangt een taal van leerlingen om zo Zijn boodschap over te brengen. Zelf was Jezus leerling van Zijn Vader. Hij was navolger van God. Dat wordt ook van ons gevraagd.

Hij sprak op het niveau van Zijn leerlingen.

Hij spreekt wat Hij Zelf, als onderwijs, hoort van Zijn Vader.


Hij wekt Mij elke morgen.

Morgen = dageraad.

"In de morgen" staat 2x achter elkaar in de grondtekst. De tweede keer hoort waarschijnlijk bij de vólgende zin.

VdW:

In de eindtijd is "de morgen" het aanbreken van het vrederijk. Dan zal het woord de vermoeiden, de steeds vervolgde Joden, opwekken. De bedekking verdwijnt. Ze komen tot geloof in de Messias. Ze luisteren.



Vers 5

Mij het oor geopend.

Alles wat Jezus van Zijn Vader hoorde, sprak Hij.

Hij was gehoorzaam.

Zelfs voor het zwaarste lijden week Hij niet terug.


Anders vertaald:

Vdw:

Israël luisterde massaal naar Jezus, maar velen bekeerden zich niet. Jezus deinst echter niet terug. Hij verdroeg smaad en hoon. Hij heeft zelfs het kruis verdragen.



Vers 6

Ik geef Mijn rug.

Het lijden van Jezus wordt voorzegd. Hij wist wat Hem overkomen zou, maar Hij deinsde er niet voor terug, want de HEERE helpt.

Die Mij slaan.



Vers 8

Wie heeft een rechtzaak tegen Mij?



Vers 9

Wie is het die Mij schuldig verklaart?

Zij allen zullen verdwijnen.

= de vijanden van Jezus.


In de eindtijd zijn dat:

  1. De antichrist.
  2. De valse profeet.
  3. Gog uit Magog. Ezechiel 38.
  4. Hun aanhang.



Vers 10

De HEERE vrezen.

Vertrouwen op de Naam.

De Naam van God is God zelf.


Steunen op zijn God.

God = elohew.

Het is onwaarschijnlijk dat dit JHWH is, want Jesaja gebruikt altijd JHWH als hij het over God de Vader heeft.

Het is hier waarschijnlijk Jezus.

Steun op Zijn verlossingswerk.


In de tekst klinkt ook een oproep door aan de mensheid in de eindtijd. Vertrouw in die duistere tijd op Jezus.



Vers 11

U met brandpijlen omgordt.

Satan schiet met vurige pijlen.

Wie zich met brandpijlen wapent hoort bij de satan.

Wie voor satan kiest, komt om. Die speelt met vuur.

God geeft ze over aan het kwaad waarmee zij spelen.



<