Hoofdstuk 48


Vers 1

Visie van G.A.van de Weerd.

Vers 1-10 gaan over de grote scheiding tussen het gelovige Israël en het ongelovige Jakob. Scheiding schapen en bokken.

In dit hoofdstuk ontvouwt God iets van Zijn raad.


Yôwd.

Vóór het woord God staat de letter yôwd = eigen, mijn.

Dus: "de eigen God" van Israël.


VdW voegt "Israël " bij het laatste deel van de tekst.

Vdw:" ze zweren bij de naam van Jahweh, maar ook bij hun eigen god. Israël herdenkt niet in waarheid en gerechtigheid. "


Wateren of verdrukking.

De Joden komen "uit de wateren van / over Juda" = grote verdrukking.

Er zijn er die God aanroepen (gelovigen) en er zijn er die een eigen god aanroepen (antichrist die ze als Messias zien).

Ze hebben niets geleerd van Gods waarheid en gerechtigheid.



Vers 2

We zijn "van de heilige stad".

VdW:

In Zacharia 14:2 wordt dit beschreven. Joden roepen om hulp.

Dit zijn echter ongelovigen. Ze roepen wel, maar geloven nog niet in Christus.



Vers 3

De dingen van vroeger.

Profeten hebben veel voorzegd. God maakte het aan het volk bekend, lang van tevoren.


Plotseling heb Ik ze gedaan.

Plotseling vervult God Zijn woorden en het vrederijk komt.



Vers 4



Vers 5

Afgodsbeeld.

= beeld vd antichrist.


Gesneden beeld.

= kleine replica van het beeld van de antichrist in huis bij de mensen.

Daniël noemt dit beeld van de antichrist de "gruwel".



Vers 6

"Zou u het dan niet verkondigen? "

VdW vertaalt:

God laat nieuwe dingen horen.

Keerpunt: God gaat iets nieuws doen.

Dat moeten dingen zijn die de profeten nog niet voorzegd hadden. Veel andere profeten leefden ná Jesaja.

Aan zijn tijdgenoten vertelde Jesaja veel nieuwe dingen.



Vers 7

Nu zijn ze geschapen.

De context kiest voor "scheiding maken".

VdW:

De ongelovigen worden afgescheiden. Nooit was dat eerder gebeurd (niet van oudsher).

Ook niet voor 1dag. Het is definitief.



Vers 9

God stelt Zijn toorn uit.

Eeuwenlang greep God niet in en beteugelde Hij Zijn woede. God was zuinig op Zijn roem. Hij was immers bekend als God van Israël.

Wat zouden de heidenen zeggen als Hij Israël strafte.


U ten goede.

Ten goede van Israël.



Vers 10

Louteren maar NIET als zilver.

doel: steeds beter, zuiverder, steeds heiliger maken.


Maar zo is het in de tekst niet: niet als zilver.

Hier gaat het over zilvererts dat te heet wordt in de smeltkroes waardoor er een waardeloze metaalslak ontstaat.


Smeltkroes van de ellende.

= grote verdrukking.



Vers 11

Omwille van Mij.

Ma'an betekent: Mijn eigen belang.

Vóór het woord ma'an staat de letter lâmed. Dan wordt de vertaling:

God tolereert de openlijke zonde nu niet meer. Omwille van Mijzelf. De mens zal niet langer de satan volgen. Satan zal worden opgesloten. God grijpt in ten behoeve van Zijn eigen belang. Hij laat Zijn Naam niet langer ontheiligen.

Dat leidt tot de glorie van God. Het vrederijk komt.



Vers 12

Eerste en Laatste.



Vers 14

Wie heeft deze dingen verkondigd?

Het woord "dingen" staat niet in de grondtekst.

Er staat "eth" vóór "deze".

Eth= geheel en al.

Dus:

Het antwoord is: de HEERE.

Daarna staat er: Hij heeft hem lief.


Kores: dat staat er NIET.

HSV voegt Kores toe, maar er staat:

God zal in de eindtijd met Babylon en de occultisten in Babylon (=Chaldeeën) afrekenen.

Er komt een einde aan de grote verdrukking.



Vers 15

Ik, Ik heb gesproken.

Letterlijk:

Ik heb hem (=Israël) geroepen.

God neemt het op voor Israël.

Heel Israël zal zalig worden.

Israël wordt in het vrederijk de machtigste natie op aarde.



Vers 16

Kom nader tot mij.

God spreekt.

Dus "mij" moet "Mij" zijn.

"Kom nader tot Mij" wijst op de herstelde band tussen God en Israël. Dat is het gevolg van de bekering van Israël.

De HEERE heeft mij gezonden.

Mij = Jesaja.

God zendt Jesaja met Zijn Geest.


en Zijn Geest.

Dit kan ook zijn:



Vers 17

Uw Verlosser.

(Ver)losser wijst op uitdelgen van de schuld.


Die u leidt op de weg.

De weg die u moet gaan is de weg van bekering en erkennen dat Jezus de Messias is. Deze Messias zorgt ook voor de mogelijkheid van vergeving.


Ik ben de HEERE, uw God. Er staat eigenlijk:



Vers 18

Och.

God zucht ervan.

Als Israël gehoorzaam was geweest, had hen dat veel ellende bespaard.

Dan zou Israël in grote vrede geleefd hebben.



Vers 19

Had Israël maar geluisterd.

Het had zo anders kunnen zijn met de Israëlieten als ze hadden geluisterd.

Dan waren al de zegeningen van Deuteronomium 28 over hen gekomen. Dan waren ze nooit uit hun land weggevoerd. Dan waren ze nooit in de diaspora gekomen.



Vers 20

Ga weg uit Babel. Dat ziet

  1. Op de tijd van Kores.
  2. Op de eindtijd. Weg uit Babylon. Weg van de valse godsdienst die er in de grote verdrukking is.



Vers 21

Zij leden geen dorst.

De gelovige Joden zijn voor de antichrist gevlucht naar de woestijn.

De Messias heeft de antichrist en de valse profeet in de hel geworpen.

De Messias leidt deze gelovigen terug naar Jeruzalem. Onderweg drinken ze uit de tempelrivier.

"Water uit de rots" ziet op de tempelrivier. Die ontspringt op Sion.

Ook Jezus drinkt uit deze beek.

VdW vertaalt deze tekst in de tegenwoordige tijd. Dan is het duidelijker dat het over de toekomst gaat.



Vers 22

Geen vrede

In vrederijk is geen plaats voor goddelozen die vijandig blijven tegen de Messias.

De schapen beërven het koninkrijk, maar de bokken, de goddelozen, niet.



<